Aspiravi-project:
Interbrew haalt bioelektriciteit uit afvalwater


version française

Els Jonckheere, Control & Automation Magazine

Als grootste bierproducent ter wereld heeft Inbev een voorbeeldfunctie op vlak van duurzaam ondernemen te vervullen. De Benefralux sites spelen bij deze doelstellingen een pioniersrol. Na de kleinere projecten in Hoegaarden, Belle Vue en het Nederlandse Dommelen, werd in 2004 ook het afvalwater van Stella Artois’ site in Leuven onder handen genomen…


Inbev beschikt in België over vier productiesites waar het ongeveer 3.500 mensen tewerk stelt. De grootste is deze van Leuven waar de brouwerij een capaciteit van zo’n 4,5 miljoen hectoliter heeft. Jan Deman, Hoofd Technische Diensten Site Leuven: “Met dit proces gaat zeer veel afvalwater gepaard: de productie van één liter bier resulteert in ongeveer vijf liter afvalwater. Dit is niet giftig, maar bevat wel veel organische bestanddelen. Deze hoge COD – chemical oxigen demand – is snel afbreekbaar, maar zou bij directe lozing in het oppervlaktewater ervoor zorgen dat het zuurstofgehalte in het water te laag wordt, met alle schadelijke gevolgen voor de waterfauna vandien. Vandaar dat we ons afvalwater eerst zuiveren vooraleer we het naar de Dijle afvoeren. Sinds 1980 gebeurt dat op een aërobe manier: biologisch slib met levende organismen wordt aan het water toegevoegd. Door een actieve beluchting via surpressoren voeden de organismen zich met de organische bestanddelen van het afvalwater. Zo ontstaat er zuiver water dat aan de kwaliteitsnormen voor lozing in het oppervlaktewater voldoet. De capaciteit van onze waterzuivering op de site in Leuven bedraagt zo’n 15.000 m³ en dertig ton COD per dag, wat overeenkomt met een afvalwatercapaciteit voor een stad van 350.000 inwoners!”

Talrijke nadelen…
Hoewel de aërobe installatie al jaren een efficiënt resultaat levert, zijn er aan de technologie wel enkele nadelen verbonden. Doordat de micro-organismen ademen, is een grote hoeveelheid lucht nodig om tot een optimale zuivering te komen. En dat kost heel wat energie! Jan Deman: “Daarnaast is een typisch minpunt van aërobe zuivering de snelle aangroei van het biologische slib, waardoor je continu met overschotten zit. Deze worden als bodemverbeteraar in de landbouw gebruikt. Maar door de huidige mestoverschotten betekent dit overtollige slib wel een kostenpost.”

Uitbreiding met anaërobe voorzuivering
Om de kosten in te perken én het milieu zo min mogelijk te belasten, werd vorig jaar besloten om de waterzuiveringsinstallatie van Stella Artois met een anaëroob systeem uit te breiden. Jan Deman: “Dit laat toe om het afvalwater voor te zuiveren volgens een proces waarbij geen zuurstof komt te kijken. In plaats van de organische bestanddelen van het afvalwater in slib en CO2 om te zetten, vormen de anaërobe bacteriën biogas dat uit methaangas en CO2 bestaat. Dit methaangas kan dan tot groene energie worden omgevormd, waardoor we heel wat op onze elektriciteitsfactuur kunnen besparen. Een ander voordeel van de anaërobe voorzuivering is dat het energieverbruik in het aërobe stadium aanzienlijk daalt doordat er minder beluchting nodig is: in totaal is ons verbruik met vier miljoen kwh per jaar gedaald! Tevens ontstaat er een reductie van de aërobe slibproductie: op één jaar tijd zijn we van 18.000 tot 10.000 ton gegaan! Tenslotte groeit het anaërobe slib maar zeer traag aan: sinds onze opstart hebben we nog geen overschotten moeten verwijderen, waardoor we kosten voor afvoer en afvalverwerking hebben kunnen vermijden.”

Keuze valt op elektriciteit
Van meet af aan was het ook de bedoeling om het biogas te valoriseren. Na de opstart van de anaërobe waterzuivering in januari 2004 nam de projectgroep enkele maanden de tijd om de biogasproductie te onderzoeken. Jan Deman: “Dit was belangrijk om na te gaan wat we ermee zouden doen. Want in principe zijn er twee mogelijkheden: de aanmaak van elektriciteit via een motor of de productie van stoom in een stookinstallatie. Dit laatste bleek voor ons geen goed alternatief, gezien de waterzuivering zeer ver van onze stoomproductie is verwijderd. Vandaar dat we onze analyse al vrij snel op de elektriciteitstoepassing afstemden.”

Specialist ingeschakeld…
Omdat er voor de productie van elektriciteit een speciale motor (die met biogas kan worden aangedreven) is vereist en dit niet tot het kennisdomein binnen Inbev behoorde, besloot de bierproducent om het hele project in handen van een gespecialiseerde firma te geven. Van de vier partijen die werden gecontacteerd, koos Inbev uiteindelijk voor Aspiravi. Dit bedrijf ontstond in 2002 uit een gezamenlijk initiatief van de gemeenten van de Vlaamse zuivere intercommunales Interelectra, IVEG, PBE en WVEM. Ir. Fred Popelier, Projectwerver Aspiravi: “Hoewel we als firma nog relatief jong zijn, hebben we wel al een jarenlange en zeer uitgebreide kennis van het energiegebeuren. Vandaag specialiseren we ons in de investering, realisatie en exploitatie van hernieuwbare en milieuvriendelijke installaties. Tegen het eind van dit jaar zullen we in totaal een vijftigtal windturbines, twee kleinschalige waterkrachtcentrales met twintig warmtekrachtmotoren én vier biogas motoren exploiteren.” Jan Deman: “Dat Aspiravi een grote ervaring kon voorleggen én al drie biogasinstallaties in werking had, waren voor ons doorslaggevende argumenten om met dit bedrijf in zee te gaan. Bovendien kwamen we tot een samenwerkingsvorm die voor beide partijen interessant was.” Ir. Fred Popelier: “De installatie werd volledig door ons ontworpen en gebouwd. Ze blijft onze eigendom en het is ook Aspiravi die ze exploiteert. Inbev levert het biogas, wij zorgen voor de transformatie naar elektriciteit en warmte die we dan aan de bierproducent verkopen. Omdat Inbev zelf de grondstof levert, ligt het prijskaartje van deze groene energie lager dan bij de traditionele energieleveranciers. Bovendien hebben we een overeenkomst waarbij de inkomsten van het project tussen beide partijen worden verdeeld.”

Hoe werkt het systeem?
In april 2004 kwamen Inbev en Aspiravi tot een principiële overeenkomst, waarna de installatie werd ontworpen. In september kreeg de brouwer de nodige bouw- en milieuvergunningen, eind januari 2005 was het systeem al operationeel. Maar hoe werkt de oplossing nu? Ir. Fred Popelier: “In eerste instantie wordt het biogas in een waskolom behandeld, zodat het aan de kwaliteitsspecificaties van de motor voldoet. Het biogas vertrekt dan naar een buffer van circa 600 m³: een soort ballon waarin het tijdelijk wordt opgeslagen. Dit is nodig om de schommelingen in de biogasproductie op te vangen en een stabiele werking van de motor te garanderen. Uiteindelijk wordt het gezuiverde biogas via een hoogrendementsmotor in elektriciteit en warmte omgezet. We kozen voor een motor van één megawatt, waarmee we een elektriciteitsproductie van ongeveer vijf miljoen kilowatt uren op jaarbasis willen produceren. Dat is ongeveer het equivalent van het energieverbruik van 1.500 gezinnen en zal volledig in de productieafdelingen van de brouwerijsite in Leuven worden benut. De warmte wordt dan weer gebruikt om het rendement van de anaërobe zuivering te optimaliseren.”

Een succesverhaal…
Ruim een half jaar na de opstart blijken zowel Inbev als Aspiravi zeer tevreden over het resultaat te zijn. Jan Deman: “De prognoses inzake elektriciteitsopbrengst worden waargemaakt. Met de huidige toestand van de energiemarkt zullen we ons financieel objectief halen. Want nu al wordt acht procent van onze elektriciteit via biogas gegenereerd! Bovendien heeft het hele project tot een totale elektriciteitsreductie van 21 procent geleid!” Ir. Fred Popelier: “Wij zijn dan weer zeer tevreden over de performantie van het systeem. Op basis van de analyses die we de laatste maanden hebben uitgevoerd, komen we tot de conclusie dat de installatie een beschikbaarheid van 95 à 98 % biedt. Dat is voor een niet gestandaardiseerd systeem ontzettend hoog, vooral als je bedenkt dat het onderhoud ook in de stilstandtijd is verrekend! We kunnen dus van een waar succes spreken…” <<

KADER:
Interbrew: wereldleider in bier

Stella Artois is één van drie hoofdmerken die Inbev wereldwijd commercialiseert. Het is tevens het oudste bier van de groep, want uit geschriften blijkt dat het al in 1366 in Leuven werd gebrouwen. De origine van de naam dateert echter van 1717, want in dat jaar werd de brouwerij door Sebastien Artois overgenomen. Hiermee werden trouwens de fundamenten voor ’s werelds grootste bierproducent Inbev gelegd. Want de brouwerij in Leuven groeide doorheen de eeuwen uit tot één van de meest gereputeerde bierproducenten in Europa. Dé grote internationale doorbraak kwam er echter pas in 1987, toen Artois en Piedboeuf fusioneerden. Dit resulteerde in de oprichting van Interbrew, waarna de bal echt aan het rollen ging. Dankzij talrijke acquisities over de hele wereld klom de groep (die nog steeds in familiale handen was!) snel omhoog op de ladder van de grootste brouwerijen. In 2000 was het hek helemaal van de dam toen het bedrijf naar de beurs stapte. En dankzij de combinatie met het Braziliaanse Ambev in 2004 werd de eerste doelstelling verwezenlijkt: wereldleider op de markt van de bierproducenten worden. Vandaag is de groep in meer dan dertig landen actief en stelt het zo’n 77.000 personen te werk. Vorig jaar werd er 205 miljoen hectoliter bier gebrouwen en bedroeg de netto omzet iets meer dan 8,5 miljard euro. <<


Projet Aspiravi:
Interbrew récupère de la bioélectricité des eaux usées


Els Jonckheere, Control & Automation Magazine

En tant que plus grand producteur de bière au monde, Inbev doit remplir une fonction ‘d’exemple’ dans le domaine de l’exploitation durable. Les sites Benefralux jouent un rôle de pionnier afin d’atteindre ces objectifs. Après les projets plus petits à Hoegaarden BelleVue et Dommelen aux Pays-Bas, le site de Stella Artois à Louvain a été pris en mains en 2004….


En Belgique, Inbev ne dispose que de quatre sites de production, occupant près de 3.500 personnes. Le plus grand est celui de Louvain, où la brasserie a une capacité de quelque 4,5 millions d’hectolitres. Jan Deman, Responsable du Service Technique du Site de Louvain: «Ce processus génère énormément d’eau usée: la production d’un litre de bière donne environ cinq litres d’eau souillée. Elle n’est pas toxique, mais contient de très nombreuses particules organiques. Ce taux élevé de COD – chemical oxigen demand – est rapidement décomposé, mais en cas de déversement direct dans les eaux de surface, ils diminueraient considérablement le taux d’oxygène dans l’eau, avec des conséquences néfastes pour la faune aquatique. C’est la raison pour laquelle nous commençons par purifier l’eau usée, avant de l’évacuer vers la Dyle. Depuis 1980, cela se fait selon une méthode aérobie: la boue biologique, avec des organismes vivants est ajoutée à l’eau. Grâce à l’aération active, au moyen de surpresseurs, les organismes se nourrissent de particules organiques dans l’eau usée. L’eau est ainsi purifiée, répondant aux normes de qualité pour être déversée dans les eaux de surface. La capacité de notre station d’épuration sur le site de Louvain est de quelque 15.000m³ et de trente tonnes de COD par jour, ce qui correspond à une capacité d’eau usée d’une ville de 350.000 habitants!»

Nombreux inconvénients …
Bien que l’installation aérobie donne des résultats satisfaisants et efficaces depuis plusieurs années, la technologie présente néanmoins quelques inconvénients. Comme les micro-organismes respirent, il faut d’importantes quantités d’air pour arriver à une épuration optimale. Cela coûte beaucoup d’énergie! Jan Deman: «En outre, l’épuration aérobie présente un inconvénient typique: l’amoncellement rapide de boue biologique, ce qui fait que vous avez continuellement des résidus. Ceux-ci sont utilisés comme améliorateur de sol en agriculture. Mais vu les excédents de lisiers, ces boues restantes représentent néanmoins un poste de frais.»

Expansion au moyen d’un pré-traitement anaérobie
Afin de limiter les frais et de charger le moins possible l’environnement, Inbev décida l’année dernière d’agrandir l’installation d’épuration d’eau de Stella Artois par un système anaérobie. Jan Deman: «Celui-ci permet de pré-traiter l’eau selon un processus sans apport d’oxygène. Au lieu de transformer les particules organiques de l’eau usée en boue et en CO2, les bactéries anaérobies produisent du biogaz composé de méthane et de CO2. Ce méthane peut être transformé en énergie verte, ce qui nous permet de faire des économies considérables sur la facture d’électricité. Un autre avantage du pré-traitement est une diminution significative de la consommation d’énergie au stade aérobie, puisqu’il faut moins d’aération: au total, notre consommation a chuté de quatre millions de kWh par an! En outre, il y également réduction de la production de boue aérobie: en un an, nous sommes passés de 18.000 tonnes à 10.000 tonnes! Enfin, la boue anaérobie se développe très lentement: depuis le démarrage, nous n’avons pas encore dû nous débarrasser d’excédents, ce qui nous permet d’éviter des frais d’évacuation et de traitement des boues;»

Choix de l’électricité
D’emblée, l’objectif était également de valoriser le biogaz. Après le démarrage de la station d’épuration anaérobie en janvier 2004, le groupe de projet a réfléchi quelques mois à l’analyse de la production de biogaz. Jan Deman: «Il était important de vérifier ce qu’on allait en faire. Car en principe, il y a deux possibilités: la production d’électricité au moyen d’un moteur ou la production de vapeur dans une chaufferie. Cette dernière option ne nous semblait pas une bonne alternative, vu que la station d’épuration était située très loin de la production de vapeur. C’est pourquoi, notre analyse nous a mené assez rapidement à l’application électrique.»

Intervention de spécialistes…
Comme il faut un moteur spécial (entraîné au biogaz) pour la production d’électricité et que cette technique ne faisait pas encore partie du domaine des connaissances au sein d’Inbev, le producteur décida de confier l’ensemble du projet à une société spécialisée. Des quatre parties contactées, Inbev choisit finalement Aspiravi. Cette entreprise a vu le jour en 2002 et est née d’une initiative collective des communes comprenant les Intercommunales flamandes propres Interelectra, IVEG, PBE et WVEM. Ir. Fred Popelier, chef de projet Aspiravi: «Bien que notre société soit encore relativement jeune, nous avons déjà des années d’expérience et une vaste connaissance de tout ce qui entoure l’énergie. Aujourd’hui, nous nous spécialisons dans l’investissement, dans la réalisation et l’exploitation d’installations renouvelables et écologiques. Pour la fin de cette année, nous exploiterons au total une cinquantaine de turbines à vent, deux petites centrales hydrauliques avec vingt moteurs thermiques et quatre moteurs au biogaz.» Jan Deman: «Le fait qu’Aspiravi puisse faire la démonstration de sa grande expérience et qu’elle avait déjà trois installations au biogaz en fonctionnement, a été un des arguments déterminants pour que nous leur fassions confiance. Par ailleurs, nous avions trouvé une forme de collaboration intéressante pour les deux parties.» Ir. Fred Popelier: «Nous avons entièrement conçu et construit l’installation. Elle reste notre propriété et c’est également Aspiravi qui l’exploite. Inbev fournit le biogaz, nous nous chargeons de la transformation en électricité et en chaleur, que nous vendons ensuite à la brasserie. Comme Inbev fournit la matière première, le prix de cette énergie verte est nettement inférieur à celui des fournisseurs traditionnels d’énergie. En outre, nous avons un contrat impliquant que les revenus de ce projet sont partagés entre les deux parties.»

Comment fonctionne le système?
En avril 2004, Inbev et Aspiravi ont signé un accord de principe, après quoi l’installation fut conçue. En septembre, la brasserie a obtenu les permis de construire et d’environnement nécessaires et fin janvier 2005, le système était déjà opérationnel. Mais comment cela fonctionne-il? Ir. Fred Popelier: «Premièrement, le biogaz est traité dans une colonne de lavage, de manière à répondre aux spécifications qualitatives du moteur. Le biogaz part ensuite vers un réservoir tampon d’environ 600 m³: une espèce de ballon dans lequel il est temporairement stocké. Ce passage est nécessaire afin d’équilibrer les variations dans la production de biogaz et de garantir un fonctionnement stable du moteur. Enfin, le biogaz purifié est transformé en électricité et en chaleur au moyen d’un moteur à haut rendement. Nous avons opté pour un moteur de un mégawatt, avec lequel nous voulons produire environ cinq millions de kilowatt d’électricité par heure par an. Cela correspond environ à la consommation énergétique de 1.500 ménages et elle sera entièrement utilisée par les unités de production du site brassicole de Louvain. Quant à la chaleur, celle-ci sera utilisée pour optimaliser le rendement de l’épuration anaérobie.»

Une histoire à succès…
Six mois après le démarrage, Inbev et Aspiravi semblent très satisfaits du résultat. Jan Deman: «Les pronostics en matière de revenus en électricité se vérifient. La situation actuelle du marché de l’énergie va nous permettre d’atteindre notre objectif financier. Car aujourd’hui déjà, huit pc de notre électricité sont générés par le biogaz! En outre, le projet complet a entraîné une réduction totale de la consommation d’électricité de vingt et un pc!» Ir. Fred Popelier: «En ce qui nous concerne, nous sommes très satisfaits des performances du système. Sur base des analyses que nous avons effectuées les derniers mois, nous arrivons à la conclusion que l’installation offre une disponibilité de 95 à 98%, ce qui est extrêmement élevé pour un système non standardisé, surtout si on pense que l’entretien est également calculé dans le temps d’arrêt! Nous pouvons donc parler d’une véritable réussite…» <<

CADRE:
Interbrew: Leader mondial en bière

Stella Artois est une des trois marques principales commercialisées par Inbev dans le monde. C’est également la plus ancienne bière du groupe, car certains écrits racontent qu’elle était déjà brassée à Louvain en 1366. L’origine du nom date toutefois de 1717, car c’est en cette année que Sébastien Artois reprit la brasserie. C’est ainsi qu’il institua les premières fondations du producteur brassicole le plus grand au monde: Inbev. Car, au fil des siècles, la brasserie de Louvain devint un des producteurs de bière les plus réputés en Europe. La grande percée internationale ne s’est produite qu’en 1987, lorsque Artois et Piedboeuf ont fusionné. C’est ainsi que Interbrew a vu le jour et que la balle s’est mise à rouler. Grâce aux nombreuses acquisitions à travers le monde, le groupe (toujours aux mains de la famille) progressa très rapidement pour s’installer parmi les plus grandes brasseries. En 2000, tout était permis, puisque l’entreprise fut cotée en bourse. Grâce au mariage avec Ambev au Brésil en 2004, le premier objectif fut réalisé: devenir leader mondial des brasseries. Aujourd’hui, le groupe est opérationnel dans plus de trente pays et il occupe quelque 77.000 personnes. L’année dernière, 205 millions d’hectolitres de bière ont été brassés pour un chiffre d’affaires net d’un peu plus de 8,5 milliards d’euros.<<

 

©