De Ceuster Meststoffen (DCM)
Traceringsproject voor Minigran-productielijn


Lda, EAN Bulleltin

version française

Niet alleen in de voedingssector, maar ook in bepaalde nevensectoren zoals o.a. de meststoffensector duikt de problematiek van traceerbaarheid op. De Ceuster Meststoffen (DCM) is reeds een aantal jaren geleden van start gegaan met een traceringsproject. Hierbij maakt zij gebruik van de EANUCC-standaarden. Momenteel is hun traceringssysteem zo goed als operationeel.


De dioxine- en BSE-crisissen die in 1999 in de veeteeltsector uitbraken, hebben ook onrechtstreeks hun weerslag gekend op de meststoffensector. Het wantrouwen dat bij de meststofafnemer destijds heerste, was voor DCM een eerste aanzet om een traceringssysteem uit te werken. Immers, op die manier kan het bedrijf exact aantonen waar welke producten vandaan komen.
Daarnaast stond DCM een 3-tal jaar geleden voor de opdracht een nieuwe productielijn uit te bouwen voor de productie van “de Minigran-korrel”, hun nieuwste formule. Aangezien het productieprocédé voor deze producten veel gecompliceerder is dan voor de gekende “korrel/kruimel” techniek (meer productiestappen, meer productsoorten, ...), was het voor DCM een noodzaak een sterk geautomatiseerde productielijn uit te bouwen. Voor DCM was het dan ook meteen duidelijk dat deze investeringen zouden gekoppeld worden aan het concept traceerbaarheid.
Nadien, toen in 2002 de EU Verordening inzake voedselveiligheid tot stand kwam en later ook in België een meer uitgebreid KB (KB van 14/11/2003 betreffende autocontrole, traceerbaarheid en meldingsplicht in de voedselketen) hierover verscheen, heeft dit bij DCM de idee alleen nog maar versterkt om met het initiatief van tracering door te gaan.

Geschikte partner
DCM ging op zoek naar een geschikte partner voor de uitwerking van een traceringssysteem en kwam vrij snel bij de firma organi terecht. In het verleden had organi namelijk ook al hun ERP-systeem aangeleverd. Door te kiezen voor eenzelfde systeemprovider had DCM de zekerheid dat de integratie van het traceringssysteem met het huidige ERP-systeem vrij vlot zou verlopen.
De opstelling en concrete uitwerking van een totale automatisering nam ruim 2 jaar in beslag. Verschillende fasen kunnen hier onderscheiden worden. In een eerste fase werden alle rekken in het magazijn en de producten voorzien van streepcodes, waarna in een tweede fase, het magazijn verder werd geautomatiseerd door de introductie van het ERP-pakket ORDAS (ORgani Distribution Administration System). Na het eerste jaar bleek het systeem, na doorvoering van de jaarlijkse stockcontrole, nog een aantal kinderziektes te vertonen. Daarom werd het systeem verder verfijnd. Momenteel worden hiervoor de laatste testen gerund. Eens volledig operationeel, zal DCM van elke partij weten van waar de grondstoffen afkomstig zijn, waar de eindproducten in het magazijn gestapeld werden, welke informatie op het label moet aangebracht worden en tenslotte naar welke klant de partij verstuurd is.
Niet alleen op IT-niveau, maar ook voor het personeel op de werkvloer bracht deze automatisering drastische veranderingen met zich mee. DCM vond het daarom zeer belangrijk van bij de start van het project het personeel te betrekken in het verhaal. Bij aanvang van de automatiseringswerken was er bij de medewerkers enige vorm van terughoudendheid te merken, maar naarmate de werken vorderden en ze meer vertrouwd raakten met het nieuwe systeem, zagen zij ook de vele voordelen ervan in. Zo gaat nu bijvoorbeeld alles veel sneller, worden er minder fouten gemaakt bij het picken en in rekken plaatsen van producten en heeft men globaal gezien een beter overzicht over wat waar staat en waar naartoe gaat.

EANUCC standaarden
Alle producten, zowel grondstoffen, hulpstoffen als eindproducten, worden voorzien van streepcodes. Hierbij opteerde DCM voor de EANUCC standaarden. Elke eenheidsverpakking die bij DCM buitengaat, wordt voorzien van een EAN-13 streepcode. Omverpakkingen, bijvoorbeeld dozen, worden voorzien van een ITF-14 streepcode. Om tracering te kunnen realiseren, maakt DCM gebruik van een productiecode. Deze code is geen EANUCC standaard, maar een uniek nummer dat in functie van de productieopdracht (uniek per productformule) door DCM wordt toegekend. DCM plaatst deze productiecode in tekstvorm op het etiket, zowel op de eenheidsverpakking als op de omverpakking die deze eenheden bevat. Door deze code te combineren met een EAN-13 of ITF-14 op het etiket, wordt traceerbaarheid ook naar de handelspartners toe gegarandeerd. M.a.w. de uniciteit blijft bewaard. Op palletniveau wordt tenslotte gebruik gemaakt van de SSCC in een UCC/EAN-128 streepcode. Het serienummer dat in de SSCC na het bedrijfsprefix geplaatst wordt, is een uniek lotnummer dat DCM per pallet toekent.

Tracering
Bij DCM Grobbendonk wordt de interne traceerbaarheid gegarandeerd vanaf de goederenreceptie tot en met de levering van het eindproduct aan de klant. Drie soorten van producten komen bij DCM binnen: grondstoffen (vb. basisstoffen voor de aanmaak van meststoffen), hulpstoffen (vb. verpakkingsmateriaal) en eindproducten (vb. potgrond). Indien de producten bij ontvangst reeds voorzien zijn van een EAN-streepcode, worden deze meteen gescand en op voorraad geplaatst. Indien geen streepcode aanwezig, wordt per pallet intern een uniek lotnummer toegekend. Dit nummer wordt in de SSCC van de pallet verwerkt (zie hoger). Daarna wordt de streepcode gescand en worden de producten op voorraad geplaatst. Het systeem maakt een koppeling tussen het gescande EAN-nummer en de leveranciersgegevens.
Bij verbruik van de voorraden, wordt elke te verbruiken partij aan een productieopdracht gekoppeld en krijgt het een interne productiecode toegewezen (zie hoger). Ook hier worden de partijen die uit voorraad gehaald worden gescand. Via een koppeling van het RF systeem (= Warehouse Management System, het scansysteem op de werkvloer) met het ERP-systeem, worden de voorraden van grondstoffen, hulpstoffen en eindproducten automatisch gewijzigd.
Eens de eindproducten geproduceerd, worden ze verder verpakt en geëtiketteerd. Het etiketteren gebeurt op de manier beschreven hierboven: een EAN-13 streepcode op de eenheidsverpakking, een ITF-14 op de omverpakking en een productiecode in tekstvorm op beide niveaus. Op palletniveau wordt een SSCC aangebracht in een UCC/EAN-128 streepcode. De SSCC wordt in het systeem aan de productieopdracht gekoppeld. Nadien worden de producten terug op voorraad geplaatst.
Bij levering aan de klant, wordt per klant een leveringsbon opgemaakt die voorzien is van een uniek leveringsnummer. Dit nummer wordt verder ook nog voor andere diensten gebruikt, bijvoorbeeld bij de boekhouding voor facturatie. De leveringsbon tenslotte, wordt in het magazijn vertaald in een magazijnbon die aan de magazijnier moet toelaten de juiste productpartijen klaar te zetten voor transport naar de klant.

Recall
Door intern alle bovenvermelde koppelingen te voorzien, kunnen producten - indien dat nodig zou blijken - vrij snel teruggeroepen worden. D.m.v. de productiecode aangebracht op de eenheidsverpakking, kunnen producten die terugkomen van consumenten of distributie snel getraceerd worden tot op grondstofniveau, en indien nodig uit de markt gehaald worden. Momenteel worden in dit verband de nodige testen uitgevoerd om dit alles zo efficiënt mogelijk te kunnen realiseren.

Toekomstplannen
DCM wenst in de toekomst de automatisering verder op te voeren om zo de activiteiten op de werkvloer nog sluitender te laten verlopen. Op die manier zullen nog minder fouten optreden. Concreet denkt DCM bijvoorbeeld aan het rechtstreeks koppelen van bepaalde productieapparaten aan het interne systeem, zoals bijvoorbeeld het automatisch aanbrengen van etiketten op de omverpakking. Verder wordt ook de rapportering van gegevens (en dus ook traceringsgegevens) nog geoptimaliseerd. <<

Bron: EAN Bulletin 2004/3. Met dank aan Ludo Bastiaens, Dirk Bonten en Willem Keppens van DCM en Pieter Vandenbulcke van ORGANI.

De Ceuster Meststoffen (DCM)
Projet de traçabilité pour la ligne


Lda, EAN Bulletin

Non seulement dans le secteur alimentaire, mais aussi dans certains secteurs associés tels notamment le secteur des engrais, la problématique de la traçabilité fait surface. Toujours à l’avant du progrès, l’entreprise De Ceuster Meststoffen (DCM) a démarré un projet de traçabilité voici déjà plusieurs années. Pour ce faire, elle utilise les standards EAN·UCC. En ce moment, leur système de traçabilité est quasi opérationnel.


La dioxine et les crises de la vache folle qui se sont déclenchées en 1999 dans le secteur du bétail, ont aussi eu leur répercussion indirecte sur le secteur des engrais. La méfiance qui régnait au passé chez l’acheteur d’engrais, a été pour DCM une première motivation pour développer un système de traçabilité. De cette manière, la société pouvait exactement démontrer d’où venaient quels produits. 3 ans plus tard, DCM se trouvait devant la mission de développer une nouvelle ligne de production pour le produit grain «Minigran», leur formule la plus récente. Etant donné que le procédé de production pour ce produit est beaucoup plus compliqué que pour la technique connue « grain/miette » (plus d’étapes de production, plus de sortes de produits, …) , il était nécessaire pour DCM de construire une ligne de production fortement automatisée. DCM a dès lors rapidement décidé que ces investissements seraient couplés au concept de la traçabilité.
Plus tard, lorsqu’en 2002 le Règlement EU concernant la sécurité alimentaire a vu le jour et lorsqu’en Belgique un AR (AR du 14/11/2003 concernant l’autocontrôle, la traçabilité et la notification obligatoire dans la chaîne alimentaire) plus détaillé a paru, cela n’a fait que renforcer DCM dans son idée de poursuivre son initiative de traçabilité.

Déroulement du projet
DCM est donc allé à la recherche d’un partenaire approprié pour le développement d’un système de traçabilité et s’est assez rapidement orienté vers la société organi. Dans le passé, organi avait notamment déjà livré leur système ERP. En optant pour un même fournisseur de systèmes, DCM avait la certitude que l’intégration de leur système de traçabilité avec le système ERP actuel se déroulerait de manière fluide.
La mise en place et l’implémentation concrète de l’automatisation totale a pris largement 2 ans. Plusieurs phases peuvent ici être différentiées. Dans une première phase, tous les rayons en entrepôt et tous les produits ont été pourvus de codes à barres, après quoi dans la deuxième phase, l’entrepôt a été automatisé par l’introduction du logiciel ERP ORDAS (ORgani Distribution Administration System). Après un an et après avoir effectué le contrôle de stock annuel, le système semblait encore présenter quelques maladies d’enfance. C’est pourquoi le système a été affiné. Actuellement, les derniers tests à cet effet sont effectués. Une fois pleinement opérationnel, DCM saura de chaque partie de marchandises d’où proviennent les matières premières, où les produits finaux sont stockés en magasin, quelle information doit figurer sur l’étiquette et finalement, vers quel client les marchandises ont été envoyées.
Non seulement au niveau IT, mais aussi pour le personnel sur le terrain, l’automatisation a entraîné des changements drastiques. C’est pourquoi DCM trouvait très important d’y impliquer le personnel dès le début. Au démarrage des travaux d’automatisation, on pouvait noter une certaine réticence chez le personnel, mais au plus que les travaux avançaient et au plus ils se familiarisaient avec le nouveau système, ils en constataient aussi les nombreux avantages. Ainsi tout va nettement plus vite, il y a moins d’erreurs lors de la prise de commande et de la mise en rayon des produits et globalement parlé il y a une meilleure visibilité sur quoi se trouve où et où les produits partent.

Standards EANUCC
Tous les produits, tant les matières premières, les matières auxiliaires que les produits finis sont pourvus de codes à barres. Pour ce faire, DCM a opté pour les standards EANUCC. Chaque emballage unitaire qui quitte DCM, est pourvu d’un code à barres EAN-13. Les suremballages, par exemples des boites, sont marqués d’un code à barres ITF-14. Pour pouvoir réaliser la traçabilité, DCM fait usage d’un code de production. Cette codification n’est pas standard EANUCC, mais bien un numéro unique que DCM attribue en fonction de la tâche de production (il s’agit d’un code unique par formule de produit). DCM marque ce code de production en clair sur l’étiquette, tant sur l’emballage unitaire que sur l’emballage qui contient ces unités. En combinant ce code avec un code à barres EAN-13 ou ITF-14 sur l’étiquette, la traçabilité est garantie, également vers les partenaires commerciaux. Autrement dit : l’unicité est garantie. Au niveau de la palette, le SSCC traduit en code à barres UCC/EAN-128 est utilisé. Le numéro de série qui figure après le préfixe d’entreprise EAN/UCC, est un numéro de lot unique que DCM attribue à chaque palette.

Traçabilité
Chez DCM Grobbendonk la traçabilité interne est garantie à partir de la réception marchandises jusqu’à la livraison du produit fini au client. Trois sortes de produits arrivent chez DCM : des matières premières (ex. des produits de base pour la fabrication d’engrais), des matières auxiliaires (ex. des matériaux d’emballage) et des produits finis (ex. du terreau). Si les produits sont déjà marqués d’un code à barres EAN à l’arrivée, ils sont directement scannés et placés en réserve. Si le code à barres est inexistant, un numéro de lot unique par palette est attribué en interne. Ce numéro est intégré dans le SSCC de la palette (voir plus haut). Ensuite, le code à barres est scanné et les produits sont mis en réserve. Le système réalise un lien entre le numéro EAN scanné et les données du fournisseur.
Lors de l’utilisation des stocks, chaque lot de produits à employer est lié à un ordre de production et y reçoit un numéro de production interne (voir plus haut). Ici aussi, les lots qui sont sortis de stock, sont scannés. Via un lien du système RF (= Warehouse Management System, le système de scanning sur le lieu de travail) avec le système ERP, les stocks de matières premières, de matières auxiliauires et de produits finis sont automatiquement modifiés.
Une fois les produits finis produits, ils sont ensuite emballés et étiquettés. L’étiquettage se déroule de la manière décrite plus haut : un code à barres EAN-13 sur l’emballage unitaire, un ITF-14 sur le suremballage et un code de production en clair aux deux niveaux. Au niveau de la palette, le SSCC est marqué en code à barres UCC/EAN-128. Le SSCC est couplé dans le système à l’ordre de production. Ensuite tous les produits sont placés en stock.
Lors de la livraison au client, un bon de livraison par client est établi qui est pourvu d’un numéro de livraison unique. Ce numéro est ensuite encore utilisé pour d’autres services encore, par exemple à la comptabilité pour la facturation. Finalement le bon de livraison est traduit en magasin en un bon de magasin qui doit permettre au magasinier de préparer les produits corrects pour transport vers le client.

Retrait de produits
En prévoyant tous les liens internes précités, les produits pourront – si nécessaire – être rapidement retirés du marché. A l’aide du code de production apposé sur l’emballage unitaire, les produits qui reviennent de chez le consommateur ou de la distribution pourront être retracés rapidement jusqu’au niveau de la matière première, et si nécessaire retirés du marché. En ce moment, les test nécessaires à ce sujet sont effectués afin que tout puisse se réaliser au mieux.

Plans d’avenir
DCM souhaite à l’avenir encore augmenter l’automatisation afin que les activités sur le lieu de travail de déroulent de manière encore plus fluide et correcte. De cette manière, moins d’erreurs seront enregistrées. Concrètement, DCM pense par exemple à lier directement certains appareils de production au système interne, comme la pose automatique d’étiquettes sur le suremballage. Ensuite, le rapport de données (et donc aussi de données de traçabilité) sera encore automatisé. <<

Source : EAN Bulletin 2004/3. Avec nos remerciements à Ludo Bastiaens, Dirk Bonten et Willem Keppens de DCM ainsi qu’à Pieter Vandenbulcke de ORGANI.

 

©