Heerema Marine Contractors
Succesvolle engineering van pijpleidingen in diepzee


version française

Jelle Vaartjes, Control & Automation Magazine

Heerema Marine Contractors (HMC) in Leiden, een toonaangevend contractor die olie- en gas productieplatforms op zee installeert, heeft zich de afgelopen jaren met succes gestort op een nieuwe markt: de engineering van pijpleidingen in de diepzee. Heerema kan in principe tot een diepte van drie kilometer pijpleidingen aanleggen. Daartoe is het bestaande kraanschip de Balder enkele jaren geleden omgebouwd. Kosten: 350 miljoen gulden.


HMC deed tot een aantal jaren terug nog niets wat betreft de aanleg van pijpleidingen in de diepzee, maar heeft zich goed voorbereid om deze nieuwe markt op te gaan. Het bedrijf was al toonaangevend voor de installatie van olie en gasplatforms, ofwel booreilanden. Voor de inmiddels enkele honderden platforms die HMC heeft geïnstalleerd, beschikt het bedrijf over drie van de vier grootste kraanschepen ter wereld. Eén van die drie kraanschepen, de Balder, heeft Heerema in het jaar 2001 verbouwd, een verbouwing die het hele jaar heeft geduurd. Doel was om in nagenoeg ongelimiteerde waterdieptes pijpleidingsystemen te kunnen aanleggen. Het systeem dat de Balder heeft gekregen, is overigens wel modulair: eventueel kunnen de twee andere schepen daarvan ook gebruik maken. De Balder weegt 75.000 ton, heeft een lengte van 154 meter en is 86 meter breed. Aan boord kunnen 350 man werken. De Balder heeft drie nieuwigheden aan boord. Om te beginnen is het schip voorzien van een volledig dynamisch positioneersysteem. Groot: “In het verleden bleef het schip op positie met 12 ankers. Maar in diep water is het gebruik van een anker niet praktisch. De ankerdraden zouden veel te lang worden. Als je in twee kilometer waterdiepte aan het werk bent, zou je minstens vijf, zes kilometer ankerdraad moeten hebben. Daarbij komt nog dat het over het algemeen moeilijk is om in gebieden te ankeren waar al infrastructuur op de zeebodem ligt. Die infrastructuur of het anker zelf zouden we kunnen beschadigen.” Een positioneersysteem moet daarom het schip in positie houden. Groot: “De Balder heeft zeven thrusters (schroeven) gekregen die het schip op positie moeten brengen. Die schroeven zijn computergestuurd: een computer meet continu waar het schip is door middel van satelliet of andere referentiesystemen. Zo wordt het schip binnen een cirkel van een paar meter gehouden.”

Fabriek
Naast de installatie van een dynamisch positioneersysteem, is er op het dek van De Balder een fabriek gerealiseerd. Deze fabriek last aangeleverde buizen van 24 meter aan elkaar tot een lengte van 72 meter (hexjoints). De stukken van 72 meter worden uiteindelijk aan elkaar gelast op de zeebodem. Het aan elkaar lassen moet zo snel mogelijk gebeuren. Afhankelijk van de diameter is dit tussen een kwartier en een uur per las. “Daartoe heb je een behoorlijke fabriek nodig”, zegt Groot. Hij wijst ook op de speciale buizen die nodig zijn in de diepzee: buizen van vijftien tot tachtig centimeter diameter. De vraag is waarom die stukken pijp niet op land aan elkaar gelast kunnen worden? “Dat zou kunnen”, zegt Groot. “Maar in een aantal gebieden gaat dat minder makkelijk, bijvoorbeeld in West-Afrika. Het heeft voordelen om zoveel mogelijk dingen zelf te doen, zonder afhankelijk te zijn van onderaannemers op het land.” Ten slotte is er een pijplegsysteem gekomen. Groot legt uit wat dit inhoudt. “De pijpen worden geïnstalleerd door middel van de zogenoemde J-lay techniek, waarbij de ‘J’ de vorm aangeeft van de pijp die van het schip naar de zeebodem loopt. De pijpen worden nagenoeg verticaal op elkaar gelast in de zogenoemde J-laytoren. Vervolgens worden de pijpen van een horizontale in een verticale positie gebracht en in de toren gevoerd. In die toren worden ze vast gelast aan de vorig sectie van 72 meter pijpleiding. Technici lassen de onderkant van het nieuwe stuk vast aan het stuk dat al in de J-lay toren hangt. Op het moment dat dit werk klaar is, tilt een kraan de hele pijpleiding bovenaan op en laat deze 72 meter in zee zakken. Tegelijkertijd vaart het schip 72 meter naar voren. Zo is 72 meter pijpleiding op de zeebodem gelegd.” In principe gebeurt er op de zeebodem zelf niet veel. “De aanleg zelf gebeurt op het schip. Zo af en toe moet je wel wat doen in zee, bijvoorbeeld een staalkabel bevestigen. Het begin moet je koppelen aan een olieput via een zogenaamde PLET (Pipe Line End Termination) en een jumper. Daar zijn technieken voor die met behulp van robots worden uitgevoerd. Duikers worden overigens niet meer gebruikt, dat zou ook niet kunnen op die diepte.”

Opdrachten
In de afgelopen vijf jaar zijn reeds een aantal projecten opgeleverd. Groot: “Met behulp van de Balder hebben we de hele infrastructuur gebouwd van platforms voor maatschappijen die in diep water olie of gas hebben gevonden. Die infrastructuur bestaat uit een aantal zaken: in eerste instantie drijvende platforms, met daaraan vast een hoeveelheid olie- en gasleidingen. In de flow line (een pijpleiding) zitten tevens structuren om verschillende olieleidingen aan elkaar te verbinden.” Zo heeft HMC inmiddels zeven drijvende platforms geïnstalleerd in waterdieptes van 1300 tot 2100 meter waterdiepte. Verder is meer dan 200 kilometer pijpleiding geïnstalleerd. “We hebben ongeveer 25 verbindingsstukken aangebracht en afmeersystemen geïnstalleerd: een funderingspaal met een combinatie van kettingen en staal- of kunststofdraden.” Belangrijkste is het Mardi Gras-project voor BP. Het betreft vier platforms in de Golf van Mexico: de Holstein, Mad Dog en Thunderhorse. Over een paar maanden wordt Atlantis geïnstalleerd. Het eerder genoemde Thunder Horse platform is het grootste drijvende platform ter wereld en produceert olie op 1850 m diepte. Daarom heeft dit platform een buitengewoon zwaar afmeersysteem nodig. Het gewicht van het totale platform is 130.000 ton. Het is gebouwd in Korea en vervoerd door Dockwise (een zusterbedrijf van HMC). Voor het transport vanuit Korea naar de Golf van Mexico is het transportschip Blue Marlin verbouwd tot 63 meter in de breedte. De uiteindelijke installatie van het platform vond in mei 2005 plaats. Vraag is wat de Balder de komende jaren gaat doen. “Er is veel werk”, zegt Groot. “Eerst gaan we de SPAR Constitution installeren, gevolgd door de installatie van het Atlantis platform en de installatie van de pijpleidingen. Daarna staat het Independance Hub project op het programma, in een waterdiepte van 2600 meter.” Op de vraag of hiermee het diepste water is bereikt, antwoordt Groot; “Nee, we zijn met een platform bezig in nog dieper water, 2900 meter.”

Aandachtsgebieden
Een belangrijk aandachtspunt bij het werken in de Golf van Mexico zijn de ‘Eddy currents’ die grote vertragingen kunnen veroorzaken. Deze currents zijn afsplitsingen van stromingen langs de Noord-Amerikaanse oostkust en veroorzaken een ronddraaiende stroming in de Golf van Mexico. Dit kan oplopen tot een diameter van ongeveer 200 kilometer. “Als de snelheid hoger is dan twee knopen, kan er niet worden gewerkt. Er moet dan worden gewacht tot de stroming ophoudt.” Een ander aandachtsgebied is de noodzaak om veilig en efficiënt te werken. Er is bij HMC sprake van een veiligheidscultuur die merkbaar is binnen alle gelederen van het bedrijf: van hoog tot laag, on- en offshore. Groot: “Hoe doe je dat? Het heeft met mensen en procedures te maken en een goede communicatie. Belangrijk is een nauwe betrokkenheid tussen het kantoor en het uitvoerende team op zee. Groot vertelt hoe dat vorm krijgt. “Er is een uitgebreid veiligheidssysteem en er zijn regelmatig evaluaties met mensen van schepen en mensen op kantoor. Daarnaast zijn er veel procedures. Iedere dag vindt er aan boord van een schip een zogenoemd ‘toolboxtalk’ plaats: wat gaan we vandaag doen en wat zijn de gevaarlijkste punten. Het geheel is heel praktisch gehouden: theoretische veiligheidsvoorschriften en praktische veiligheidsvoorschriften voor de bemanning.” Met het ontwerp en de ombouw van de Balder werd tevens een nieuw veiligheidssysteem ontwikkeld . “Het functioneert bijzonder goed, zo blijkt uit de statistieken. Het was moeilijk om een plan te bedenken vanwege de complexiteit van de pijpleginstallatie, maar het wordt uitgevoerd en werkt optimaal.” <<

Heerema Marine Contractors
Succès de l’ingénierie de pipelines en mer profonde


Jelle Vaartjes, Control & Automation Magazine

Heerema Marine Contractors (HMC) à Leiden, un entrepreneur de renom installant des plates-formes de production pétrolière et gazière en mer, s’est lancé avec succès ces dernières années sur un nouveau marché: l’ingénierie de pipelines en mer profonde. Heerema peut en principe placer des pipelines jusqu’à une profondeur de trois kilomètres. Pour ce faire, la société a transformé il y a quelques années le bateau à grue ‘de Balder’. Coût de l’opération: 350 millions de florins.


Il y a quelques années, HMC était totalement inactive dans le placement de pipelines en mer profonde. Cependant, la société s’est bien préparée avant de se lancer sur ce nouveau marché. La société était déjà réputée pour l’installation de plates-formes pétrolières et gazières ou d’îlots de forage. Aujourd’hui, HMC dispose de trois des quatre plus grands bateaux à grue au monde pour assurer l’installation des quelques centaines de plates-formes qu’elle a réalisées depuis. En 2001, Heerema a transformé le ‘De Balder’, un de ces trois bateaux à grue. La transformation a duré une année complète. L’objectif était de pouvoir placer des pipelines sur des fonds dont la profondeur est quasi illimitée. Le système dont a été doté le bateau ‘De Balder’ est d’ailleurs modulaire : les deux autres bateaux peuvent éventuellement en profiter. Le ‘De Balder’ pèse 75.000 tonnes, il affiche une longueur de 154 mètres et une largeur de 86 mètres. 350 hommes peuvent travailler à bord. Pour commencer, le bateau est équipé d’un système de positionnement entièrement dynamique. “Autrefois, 12 ancres maintenaient le bateau en position. Cependant, en mer profonde, l’utilisation d’une ancre n’est pas pratique. Les chaînes d’ancre seraient beaucoup trop longues. Si vous travaillez sur un fond situé à une profondeur de deux kilomètres, il vous faudrait une chaîne d’ancre d’au moins cinq à six kilomètres. En plus, il est généralement difficile de s’ancrer dans des zones où il y a déjà une infrastructure au fond de la mer. Nous risquerions d’endommager l’infrastructure ou l’ancre” remarque Monsieur Groot. Un système de positionnement doit donc maintenir le bateau en position. Et d’ajouter “Le ‘De Balder’ a été doté de sept propulseurs (à hélice) qui ont pour mission de maintenir le bateau en position. Ces hélices sont pilotées par ordinateur: un ordinateur mesure continuellement l’emplacement du bateau par satellite ou via d’autres systèmes de référence. Le bateau est ainsi maintenu dans un cercle de quelques mètres.”

Usine
Outre l’installation d’un système de positionnement dynamique, une usine a été installée sur le pont du bateau ‘De Balder’. Cette usine soude des tubes de 24 mètres les uns aux autres pour atteindre une longueur de 72 mètres (hexjoints). Les morceaux de 72 mètres sont ensuite soudés ensemble et déposés sur le fond de la mer. Le soudage doit être le plus rapide possible. En fonction du diamètre, il requiert d’un quart d’heure à une heure par soudure. “Pour cela, il faut une usine conséquente” remarque Monsieur Groot. Il attire également l’attention sur la spécificité des tubes nécessaire en mer profonde: des tubes d’un diamètre de quinze à quatre-vingts centimètres. Nous nous demandons évidemment pourquoi ces morceaux de tubes ne peuvent être soudés ensemble sur terre? “Ce serait possible” répond-il. “Cependant, la tâche est moins aisée dans certaines régions, par exemple en Afrique occidentale. Le fait de pouvoir réaliser un maximum de choses soi-même, sans dépendre de sous-traitants, présente de gros avantages.” Enfin, le bateau est doté d’un système de pose des tubes. Monsieur Groot explique en quoi cela consiste. “Les tubes sont installés au moyen de la technique J-lay. Le J indique la forme du tube qui court du bateau vers le fond de la mer. Les ensembles de tubes sont quasi soudés verticalement les uns aux autres dans la fameuse tour J-lay. En effet, les tubes passent de la position horizontale en position verticale et sont amenés dans la tour. Dans cette tour, ils sont soudés à la section de tubes précédente de 72 mètres. Les techniciens soudent le bas de la nouvelle pièce au morceau qui pend déjà dans la tour J-lay. Lorsque le travail est prêt, une grue soulève tout le pipeline et fait descendre ces 72 mètres dans la mer. Le bateau avance simultanément de 72 mètres. Le pipeline de 72 mètres est posé de la sorte sur le fond de la mer.” En principe, il n’y a pas grand-chose qui se passe sur le fond de la mer. “La pose se fait sur le bateau. De temps en temps, il faut intervenir dans l’eau, par exemple pour fixer un câble d’acier. Il faut raccorder le début à un puits de pétrole via un PLET (Pipe Line End Termination) et un porte-clapet. Il existe des techniques permettant de réaliser ce travail à l’aide de robots. On ne fait plus appel à des plongeurs ; ce serait d’ailleurs impossible à ces profondeurs.”

Missions
Durant les cinq dernières années, plusieurs projets ont été menés à bonne fin. “Nous avons construit à l’aide du ‘De Balder’ toute l’infrastructure des plates-formes de sociétés ayant trouvé du pétrole ou du gaz en eau profonde. Ces infrastructures comprennent plusieurs choses: tout d’abord des plates-formes flottantes, disposant d’une quantité de conduites de pétrole et de gaz fixes. La conduite de collecte (un pipeline) présente par ailleurs des structures pour assembler différentes conduites de pétrole.” HMC a déjà installé de la sorte sept plates-formes flottantes sur des fonds situés à des profondeurs allant de 1300 à 2100 mètres. Plus de 200 kilomètres de pipeline ont ainsi été installés. “Nous avons placé environ 25 pièces de raccord et installé des systèmes d’amarrage: un poteau de fondation avec une combinaison de chaînes et de câbles d’acier ou de câbles synthétiques.” Le principal projet est ‘Mardi Gras’ pour BP. Il s’agit de quatre plates-formes installées dans le Golfe du Mexique: Holstein, Mad Dog et Thunder Horse. Dans quelques mois, Atlantis sera terminée. La plate-forme Thunder Horse est la plus grande plate-forme flottante au monde. Elle extrait du pétrole à une profondeur de 1850 m. Voilà pourquoi cette plate-forme nécessite un système d’amarrage particulièrement lourd. Le poids total de la plate-forme est de 130.000 tonnes. Elle a été construite en Corée et transportée par Dockwise (une société sœur de HMC). Pour assurer le transport de la Corée vers le Golfe du Mexique, la largeur du bateau de transport Blue Marlin a été portée à 63 mètres. L’installation finale de la plate-forme a eu lieu en mai 2005. Reste à savoir ce que fera le ‘De Balder’ dans les années à venir. “Il reste beaucoup de travail” déclare Monsieur Groot. “Nous allons d’abord installer la SPAR Constitution, puis la plate-forme Atlantis et ensuite les pipelines. Par la suite, nous avons le projet Independance Hub au programme, à installer sur un fond situé à une profondeur de 2600 mètres.” Lorsqu’on lui demande si la profondeur maximale est ainsi atteinte, il répond: “Non, nous nous penchons sur une plate-forme flottant sur des fonds encore plus profonds, à savoir 2900 mètres.”

Points d’attention
Lorsque l’on travaille dans le Golfe du Mexique, il est essentiel de prêter attention aux ‘Eddy currents’. Ces courants peuvent occasionner de grands retards. Ils sont causés par la scission de courants le long de la côté Est de l’Amérique du Nord, qui provoquent un courant tourbillonnant dans le Golfe du Mexique. Leur diamètre peut atteindre environ 200 kilomètres. “Si leur vitesse est supérieure à deux nœuds, il n’est plus possible de travailler. Il faut alors attendre que le courant s’arrête.” La nécessité de travailler efficacement et en tout sécurité est un autre point d’attention. HMC a une culture de la sécurité qui se note dans tous les rouages de l’entreprise: d’en haut jusqu’en bas, on-shore et off-shore. “Comment faisons-nous? Tout repose sur les gens, sur les procédures et sur une bonne communication. L’étroite implication entre le bureau et l’équipe d’exécution en mer est primordiale. Monsieur Groot explique comment celle-ci prend forme. “Nous avons un système de sécurité très vaste et nous effectuons régulièrement des évaluations du personnel sur les bateaux et au bureau. En outre, les procédures sont nombreuses. Chaque jour, il y a un ‘toolboxtalk’ à bord du bateau: qu’allons-nous faire aujourd’hui, quels sont les points dangereux. L’ensemble garde un aspect très pratique: des prescriptions de sécurité théoriques et des prescriptions de sécurité pratiques pour l’équipage.” Un nouveau système de sécurité a été mis au point en parallèle à la conception et la transformation du ‘De Balder’. “ D’après les statistiques, nous pouvons dire qu’il fonctionne particulièrement bien. La conception du plan s’est révélée difficile en raison de la complexité de l’installation de pose des pipelines mais il est exécuté et fonctionne parfaitement.” <<

 

©