Identificatiesystemen
Gegevensdragers in weer en wind


version française

Identificatiesystemen zijn bijzonder interessant voor de automatiseringswereld. Desalniettemin lopen de innovaties op gebied van bedienfilosofie van het uitleestoestel en met betrekking tot de modulaire oplossingen voor verbinding met een bovenliggend bussysteem niet altijd van een leien dakje. Toch zegt men bij een aantal fabrikanten hier in een aantal gevallen een pasklare oplossing voor te hebben. Een toelichting.

In Europa kan men vandaag de dag het gebruik van frequentiebanden voor industriële identificatiesystemen herleiden tot een drietal frequenties, namelijk 125kHz, 13,56MHz en 2,45GHz. Toch zijn deze frequenties niet exclusief voor de identificatietechniek gereserveerd, want in de USA bijvoorbeeld opteert men voor de 900MHz-band in plaats van de 2,45GHz. Ongeacht deze verscheidenheid, merken we toch dat industriële identificatiesystemen voor zeer veel toepassingen gebruikt kunnen worden en moeten daarom ook aan verschillende toepassingsafhankelijke eisen voldoen.
Zo worden er bijvoorbeeld identificatiesystemen gebruikt bij transportsystemen om producten op het transportsysteem te herkennen, om wissels te schakelen en de verplaatsingssnelheid te sturen. Dergelijke toepassing vereist dikwijls dat de uitlezing van de gegevensdrager dynamisch moet gebeuren, om te vermijden dat hiervoor de doorlooptijden negatief beïnvloed zouden worden. Typische snelheden liggen hier om en bij de 1 tot 3 meter per seconde.

Fix- of variabele code
Vele toepassingen zijn “Fix-code”-toepassingen hetgeen er op neerkomt dat de gegevensdrager eenmalig beschreven wordt. In dit geval wordt de unieke code meestal door de fabrikant ingesteld en wordt deze alleen nog maar uitgelezen. Dit heeft tot gevolg dat er goedkopere datablokken ingezet kunnen worden, waarbij de uitleestijden zeer kort gehouden worden door het uitlezen van maar een beperkt aantal gegevens.
Andere, soms complexere processen vereisen dan weer dat de datablokken kunnen voorzien worden van productiegegevens om bijvoorbeeld de test- en of tolerantiewaardes van het product te kunnen meegeven. Op die manier kan men zeer gedetailleerd opvolgen welke productiestappen een product doorlopen heeft en welke specifieke eigenschappen daaruit resulteren. Hiertoe worden in de regel gegevensdragers van minder dan 1kBit gebruikt, om toch nog de gegevensoverdrachtsnelheid te kunnen garanderen. De schrijf-/leeskop en in het bijzonder de datablok, doorlopen samen met het product natuurlijk het volledige productieproces en worden dus aan de verschillende omgevingstoestanden blootgesteld. Dit kunnen zowel mechanische invloeden in de vorm van trillingen of stoten zijn, evenals wisselende en of hoge temperaturen, chemische stoffen of andere nefaste omstandigheden, die allen getrotseerd dienen te worden door het identificatiesysteem. Bij het ontwerp van een identificatiesysteem is het bovenliggende bussysteem meestal al aanwezig of al een uitgemaakte zaak. Dit brengt met zich mee dat het voor een identificatiesysteem een basisvereiste is om met de verschillende gangbare bussystemen een betrouwbare communicatie te kunnen opzetten.

Frequentiegebieden
Om de gegevens en energie over te dragen wordt het principe van inductie (bij 125kHz en 13,56 MHz) evenals het principe van microgolven (bij 2,45GHz) toegepast. Beide overbrengingsvormen karakteriseren ook de indeling van het systeem in “inductieve” en “microgolf”-systemen. Bij inductieve systemen moet de gegevensdrager zich voor het schrijven en lezen in de directe nabijheid van de lees-/schrijfkop bevinden. De voor de datablok benodigde energie wordt in de regel dan door directe inductieve wisselwerking uit de antenne ontnomen. Bij microgolven daarentegen kan de gegevensuitwisseling van op verdere afstand van de antenne gebeuren, waarbij de elektromagnetische golven door de antenne afgegeven worden en door de datadrager ontvangen en gemoduleerd worden zodat een gegevensuitwisseling kan plaatsgrijpen. De hiervoor noodzakelijke energie wordt in de meeste gevallen geput uit een in de datablok voorziene batterij. Bij de 125kHz systemen is de standaardisering zeer ver gevorderd, waardoor er zich op de markt meerdere fabrikanten hebben geposteerd voor dit gamma van producten. Voor de klant leidt dit natuurlijk naar een verhoogde vorm van flexibiliteit. Gebaseerd op deze “de facto”-standaard is het vandaag de dag mogelijk om inductieve identificatiesystemen in verschillende en uiteenlopende productieprocessen en in materiaal- en gegevensflow-processen zoals in magazijnen, in te zetten om het overzicht en respectievelijk de eenduidige sequentie van de processen beter te kunnen opvolgen. De gegevensdrager of ook wel transponder genoemd is in tegenstelling tot de barcodes van een robuustere aard, ongevoelig voor vervuiling, langlevend, bedrijfszekerder en biedt schrijf- en leesfunctionaliteit ook door niet gemetalliseerde stoffen.

Stand van zaken
Dikwijls worden identificatiesystemen aangeboden die voor de inbedrijfname of voor aanpassing van instellingen een pc-verbinding of programmeerapparaat vereisen. Dit leidt er natuurlijk toe dat de gewenste aanpassing enkel door een hooggekwalificeerd persoon, een dure servicetechnieker, uitgevoerd dient te worden. Een aanduiding in de vorm van een LED op de leeskop is meestal het enige dat men kan zien, met enkel de boodschap of er spanning aanwezig is of dat de leeskop actief is. Op gebied van gegevensdragers zijn er natuurlijk meerdere leveranciers te vinden, waaronder onder andere Baumer, Euchner, Siemens en Pepperl+Fuchs. Deze laatste heeft een pallet aan bouwvormen die deels ook bondig in metaal inbouwbaar zijn. De intelligente, over microcontroller gestuurde leeskop staat in twee cilindrische bouwvormen (M18 en M30) evenals in twee blokvormige bouwvormen met afmetingen van 40x40x55mm, respectievelijk 80x80x60mm ter beschikking. Te samen met de gewenste gegevensopslagcapaciteit kunnen leesafstanden van ongeveer 100mm bereikt worden. De verbinding van de leeskop met de uitleeseenheid gebeurt via een M12 verbindingsdoos met afgeschermde kabel. De uitleeseenheid voor de schakelkast wordt zeer eenvoudig samen met de interfacemodule op een DIN-rail geklikt. Voor de verschillende bussystemen staan verschillende interfacemodules ter beschikking. Alle schakelkastmodules zijn voorzien van gecodeerde en afneembare klemmen, waarbij de klemmen voor de spanningvoorziening uit veiligheidsoverweging van een andere, opvallende kleur zijn voorzien. Daarnaast zijn er nog veldmodules in IP65 in het gamma aanwezig, waarbij de busaansluitingen mee in de behuizing van de leeskop geïntegreerd zijn. Op basis van het modulaire concept zijn de toestelletjes steekbaar en daarmee ook uitwisselbaar. Daar de gegevensverwerking overwegend in de uitleeseenheid kan gebeuren, wordt de rekenbelasting en de cyclustijd van de PLC niet beïnvloed.

Displays
Met de uitleesmodule IPI-4KED2-4H kan alle informatie over een tweelijnig LC-display met bijkomstige pictogrammen voor de aangesloten leeskop opgeroepen worden. Alle bevelen kunnen uit een menu gekozen en geactiveerd worden. Daarmee is het systeem autonoom zonder dat er een pc of programmeerapparaat aan te pas moet komen. In het hoofdmenu kunnen alle module-instellingen weergegeven en veranderd worden en kunnen acties getriggerd worden. Zodra een bevel uitgevoerd wordt, worden bijvoorbeeld bij een leesbevel de bijhorende gegevens en de leeskopnummer op het display voorgesteld. Met behulp van 3 toetsen (op, neer en return) kan men menugestuurd alle instellingen en bevelen doorgeven. Desalniettemin kunnen alle gegevens ook over een RS232 interface met een terminalprogramma op een pc weergegeven en bestuurd worden.

Systèmes d’identification
Supports de données pour tout type d’environnement


Les systèmes d’identification sont particulièrement intéressants pour le monde de l’automatisation. Cependant, les innovations relatives à la philosophie de commande de l’appareil de lecture et à la modularité des solutions de connexion aux bus de terrain sus-jacents ne se bousculent pas. Pourtant, certains constructeurs prétendent disposer, dans certains cas, d’une solution prête à l’emploi. Un petit mot d’explication.

Aujourd’hui, les systèmes d’identification industriels en Europe utilisent trois bandes de fréquence, à savoir 125 kHz, 13,56 MHz et 2,45 GHz. Pourtant, la technique d’identification n’utilise pas exclusivement ces fréquences. Les Etats-Unis par exemple optent pour la bande de 900 MHz plutôt que pour celle de 2,45 GHz. Malgré cette diversité, nous remarquons quand même que les systèmes d’identification industriels peuvent être utilisés à de nombreuses fins et doivent dès lors répondre à diverses exigences en fonction de l’application.
Les systèmes d’identification utilisés sur les convoyeurs permettent par exemple de reconnaître les produits présents sur le convoyeur, d’enclencher les aiguillages et de contrôler la vitesse de déplacement. Une telle application requiert souvent une lecture dynamique du support de données afin d’éviter toute influence négative sur les temps de passage. Les vitesses habituelles se situent entre 1 et 3 mètres par seconde.

Code fixe ou variable
De nombreuses applications sont de type ‘code fixe’. Ce code correspond à une description unique du support de données. Le code unique est généralement déterminé par le fabricant et ne doit qu’être lu. Il permet une mise en œuvre de blocs de données moins coûteux et assure des temps très courts grâce à la lecture d’un nombre de données restreint.
Pour d’autres processus parfois plus complexes, les blocs de données doivent par contre stocker des données de production afin de pouvoir rendre les valeurs de test ou de tolérance du produit par exemple. Les étapes de production du produit peuvent alors être suivies de façon détaillée et l’utilisateur connaît les caractéristiques spécifiques qui en découlent. En règle générale, on utilise pour ces processus des supports de données de moins de 1 kBit afin de pouvoir garantir la vitesse de transfert des données. La tête de lecture/écriture et le bloc de données en particulier parcourent le processus de production complet avec le produit et sont donc exposés à divers types d’environnement. Le système d’identification devra affronter tous ces environnements : influences mécaniques sous la forme de vibrations ou de chocs, fluctuations de température et/ou températures élevées, substances chimiques ou autres conditions néfastes.

Lors de l’implémentation d’un système d’identification, le bus de terrain sus-jacent est généralement présent ou, du moins, déterminé. Il est donc essentiel pour un système d’identification de pouvoir mettre sur pied une communication fiable avec les différents bus de terrain habituels.

Domaines de fréquences
Le principe d’induction (à125kHz et 13,56 MHz) et le principe de micro-ondes (à 2,45 GHz) sont tous deux appliqués pour le transfert de données et d’énergie. Ces deux formes de transfert caractérisent aussi la répartition des produits en systèmes inductifs et systèmes micro-ondes.
Afin de permettre la lecture et l’écriture, le support de données des systèmes inductifs doit se trouver à proximité directe de la tête de lecture/écriture. L’énergie nécessaire pour le bloc de données est en général extraite de l’antenne par interaction inductive directe.
Dans le cas des micro-ondes par contre, l’échange de données peut se faire à distance plus éloignée de l’antenne. Les ondes électromagnétiques sont émises par l’antenne et réceptionnées et modulées par le support de données afin de permettre un échange de données. L’énergie nécessaire est généralement puisée dans la batterie présente dans le bloc de données.

La standardisation des systèmes à 125 kHz est très avancée. Plusieurs constructeurs se sont dès lors positionnés sur le marché pour cette gamme de produits. Cela se traduit naturellement par une flexibilité accrue en faveur du client.

Grâce à ce standard ‘de fait’, il est désormais possible d’implémenter des systèmes d’identification inductifs dans des processus de production divers et divergents et dans des processus de flux de matériel et de données comme les entrepôts, afin de mieux suivre l’ensemble et les séquences univoques de ces processus. A l’inverse des codes-barres, le support de données, également appelé transpondeur, est de nature plus robuste, insensible à la pollution, durable et plus fiable. Il confère même une fonctionnalité de lecture et d’écriture aux matières non métalliques.

Bilan de la situation
Les systèmes d’identification proposés nécessitent souvent une connexion à un PC ou à un appareil de programmation pour la mise en service ou la modification des paramètres. De ce fait, toute adaptation du système requiert l’intervention d’un personnel qualifié, d’un technicien coûteux. Une indication sous forme de LED présentes sur la tête de lecture constitue souvent la seule chose visible. Elle mentionne uniquement la présence d’une tension ou le bon fonctionnement de la tête de lecture.

En matière de supports de données, il existe naturellement plusieurs fournisseurs parmi lesquels Baumer, Euchner, Siemens et Pepperl+Fuchs. Ce dernier propose plusieurs versions dont certaines peuvent aussi être incorporées solidement dans du métal. La tête de lecture intelligente, pilotée par microcontrôleur, existe en versions cylindriques (M18 et M30) et sous forme de blocs de 40x40x55 mm ou 80x80x60 mm. Avec la capacité de stockage de données souhaitée, il est possible d’atteindre des distances de lecture d’environ 100 mm. La liaison de la tête de lecture avec l’unité de lecture passe par une boîte de connexion M12 dotée d’un câble blindé. L’unité de lecture est simplement montée sur rail DIN avec le module d’interface dans l’armoire de distribution.
Il existe divers modules d’interface pour les différents bus de terrain. Tous les modules destinés aux armoires de distribution sont dotés de bornes amovibles et codées. Pour des raisons de sécurité, les bornes destinées à l’alimentation électrique sont dotées d’une autre couleur parfaitement reconnaissable.
La gamme comprend par ailleurs des modules de terrain IP65 dont les connexions aux bus sont intégrées dans le boîtier de la tête de lecture. Suivant le principe du concept modulaire, les appareils sont enfichables et par conséquent échangeables. Puisque les données sont principalement traitées dans l’unité de lecture, la charge de calcul et le temps de cycle du PLC ne sont pas influencés.

Ecrans
A l’aide du module de lecture IPI-4KED2-4H, l’information peut être appelée sur un afficheur LCD à deux lignes avec des pictogrammes pour la tête de lecture raccordée. Toutes les commandes peuvent être choisies et activées via un menu. Le système est dès lors autonome et ne requiert ni PC ni outil de programmation. Tous les paramètres des modules peuvent être affichés et modifiés via le menu principal. Il est également possible de déclencher des actions. Dès l’exécution d’une commande, les données et le numéro de la tête de lecture concernés par la commande de lecture sont affichés à l’écran. A l’aide de trois touches (haut, bas et retour), tous les réglages et commandes peuvent être transmis par menu. Toutes les données peuvent également être affichées et pilotées sur un PC équipé d’un programme terminal, au travers d’une interface RS-232.

 

©