|
Industriële standaardsoftware
Rechten en plichten
Hubert Lahaut, Control & Automation Magazine
version française
Reeds meerdere jaren worden zogenaamde standaard softwarepakketten voor
diverse technische toepassingen aangeboden. Het voordeel dat van het
gebruik van deze pakketten uitgaat is dat ontwikkeling in eigen regie,
d.w.z. dat de inspanning voor het ontwerpen en programmeren van het
informatiesysteem niet nodig, of in ieder geval beperkt kan blijven. Daar
staat echter tegenover dat wel een diepgaande evaluatie van de op de markt
verkrijgbare pakketten noodzakelijk is.
Echter, in veel gevallen kan men er niet zondermeer vanuit gaan dat een
geschikt pakket gevonden zal worden, dat zowel aan alle functionele
criteria voldoet alsook aan alle randvoorwaarden waarvan het kostenaspect
veelal doorslaggevend is (eigen uren bij evaluatie, aanschaf van het
pakket en eventuele hardware, gewenste wijzigingen, installatie, training
gebruikers, e.d.). De problematiek van het evalueren van
standaardpakketten ten behoeve van verschillende technische toepassingen
is reeds geruime tijd onderwerp van studie geweest.
Doorgaans gaat men bij de evaluatie en selectie van standaardpakketten uit
van de wensen ten aanzien van de gewenste functionaliteit en de
budgettaire mogelijkheden die gelden op het moment waarop de eventuele
aanschaf van een pakket actueel is. Echter, aangezien de inspanningen en
kosten aanzienlijk kunnen zijn verwacht men over een langere periode
nuttig van een pakket gebruik te kunnen maken. Het kan voorkomen dat de
voorwaarden die bij aanschaf golden in de toekomst veranderen, wat
mogelijk tot problemen bij zowel bestaande gebruikers alsook bij de
softwareleverancier kan leiden.
Dynamiek
Het is een welbekend verschijnsel dat de samenleving niet stationair is,
en dat geldt ook voor de industriële wereld. Gebruikers die eens tevreden
waren met de geboden functionaliteit van een standaardpakket ontdekken
later nieuwe mogelijkheden die men graag aan het gebruikte pakket wil
toevoegen. Men kan verwachten dat in het bijzonder beginnende gebruikers
nog niet aan het einde van hun ‘leercurve’ zijn aangekomen. Vaak zal er
sprake zijn van een golfbeweging, waarin men geleidelijk nieuwe wensen
opspaart en die vervolgens in één keer wil realiseren, zodra men voldoende
argumenten heeft om een investering in dergelijke veranderingen kan
rechtvaardigen. Vervolgens begint men weer met het opsparen van nieuwe
wensen, enz. Het is echter ook denkbaar dat niet alleen vanuit een
verbeterd inzicht in het beheersen van de eigen (productie)problematiek
wensen tot verandering voortkomen, maar ook door de veranderingen in de
werksituatie zelf een andere werkwijze in o.a. het productieproces
noodzakelijk maakt. De kernvraag is dan in hoeverre een pakket
veranderbaar is en welke consequenties hieraan verbonden zijn.
Een verstandshuwelijk
Vanaf het moment dat de gebruiker, als klant van de softwareleverancier,
zijn handtekening zet onder het koopcontract begint het
‘verstandshuwelijk’ tussen gebruiker en leverancier. De gebruiker
verkrijgt tegen betaling het gebruiksrecht van het softwarepakker, waarbij
hij tegelijkertijd ook gebonden is aan een aantal (huwelijks)voorwaarden.
De bedreigingen die bij een dergelijk huwelijk kunnen optreden komen voort
uit tegenstrijdigheden in de belangen die beide partijen hebben. Enerzijds
is de gebruiker er alleen in geïnteresseerd dat een pakket ten allen tijde
voldoet aan zijn gewenste functionaliteit tegen acceptabele kosten,
terwijl de softwareleverancier streeft naar maximalisatie van de winst.
Dit laatste betekent dat het uiteindelijk de leverancier is die bepaalt
welke wijzigingen structureel in zijn pakket zullen worden opgenomen,
bijvoorbeeld in een nieuwe versie, dan wel welke wijzigingen hij
klantspecifiek toelaat. Dit verschil in belangen kunnen we karakteriseren
als ‘individualisme van de gebruiker’ en het ‘leveranciersdilemma’.
Het individualisme van de gebruiker
Na verloop van tijd kan zich de situatie voordoen dat de gebruiker nieuwe
wensen in zijn pakket gerealiseerd wil zien. Doorgaans zal hij zijn wensen
aan de leverancier voorleggen en om een offerte voor de uit te voeren
wijzigingen vragen. Het spreekt voor zich dat klantenspecifieke
wijzigingen door de leverancier of een derde uitvoerende partij volledig
worden doorberekend, waarbij een leverancier ook gebruik kan maken van de
afhankelijkheid die een klant nou eenmaal bij hem heeft. De
contractvoorwaarden voor het gebruik van het softwarepakket leggen in veel
gevallen beperkingen op aan de gebruiker ten aanzien van de aard van de
wijzigingen die toegestaan zijn en wie geautoriseerd is om eventuele
wijzigingen door te voeren. Het enige, meestal goedkopere, alternatief
voor een gebruiker doet zich voor als de leverancier besluit om zijn
wijzigingen tot een nieuwe ‘standaard’ werkwijze te verklaren die
vervolgens in een nieuwe versie verwezenlijkt wordt. Mocht de leverancier
met een dergelijk voorstel instemmen, dan betekent dit een mogelijke
reductie in kosten van softwarewijzigingen voor die ene gebruiker, maar
anderzijds kunnen de wijzigingen overbodig of zelfs nadelig zijn voor
andere bestaande gebruikers. Een dergelijke wijze van aanpassen kan tot
grote onvrede leiden als een leverancier enkele grote en vele kleine
gebruikers heeft. Grote klanten kunnen uiteraard meer invloed uitoefenen
en zullen dan ook een grotere kans maken dan ‘kleinere’ gebruikers om hun
wensen als een nieuwe standaard door te zetten.
In het uiterste geval zou een individuele gebruiker kunnen beslissen om
over te stappen naar een ander(e) pakket(leverancier) of over te gaan op
softwareontwikkeling in eigen beheer. Echter, de kosten en risico’s bij
dergelijke overstap kunnen groot zijn en uiteindelijk verandert er aan
zijn afhankelijk zijn weinig. Deze wordt slechts verplaatst naar een
andere partij.
Leveranciersdilemma
Aangezien de leveranciers uiteindelijk een winstoogmerk hebben, zullen zij
er in principe naar streven om de inspanningen in software-ontwikkeling te
minimaliseren en de opbrengsten uit verkoop van gebruiksrechten aan nieuwe
gebruikers en betaalde aanpassingen te maximaliseren. Echter, beide
opbrengstgerichte activiteiten houden een belangrijk dilemma voor de
leverancier in, die een bedreiging kan vormen voor zijn continuïteit.
Men zou mogen verwachten dat door een groter aantal van een pakket te
verkopen de ontwikkelkosten over meerdere gebruikers gespreid kunnen
worden, terwijl er ook betere winstmarges voor de leverancier mogelijk
worden. Het in grote getale verkopen van softwarepakketten aan nieuwe
klanten zorgt op korte termijn inderdaad voor de verwachte inkomsten. Maar
het aantal gebruikers en daarmee het potentieel aantal wensen tot
veranderen/aanpassen zal ook toenemen. Het wordt daarmee voor leveranciers
steeds moeilijker om aan alle wensen tegemoet te komen, zonder daarbij het
principe van het standaardpakket te verlaten. Ook kan een grote
gebruikersgroep remmend werken op de introductie van nieuwe versies,
waarbij men recentere inzichten heeft verwerkt en verouderde inzichten
heeft verwijderd.
De andere opbrengstgenererende activiteit, het aanpassen van het pakket
naar de behoeften van individuele gebruikers kan voor een leverancier die
veel ‘actieve’ gebruikers heeft, lucratief zijn, maar dwingt hem ook tot
het bijhouden van een toenemend aantal configuraties van hetzelfde pakket.
Zodoende wordt het steeds moeilijker om ook nieuwe versies, elegant
passend en geen lapmiddel, te introduceren die rekening houden met alle
bestaande configuraties. Het gevaar bestaat dat de kosten voor
ontwikkeling van nieuwe versies zo hoog worden dat het niet meer
concurrerend kan zijn en bestaande gebruikers gaan overstappen. Een
leverancier van standaardsoftware zou zich natuurlijk kunnen opstellen
zoals een leverancier van universele niet functiegebonden software, zoals
tekstverwerkers en spreadsheets, en accepteren dat er nu eenmaal
gebruikers vertrekken als er maar genoeg nieuwe bijkomen. Een dergelijke
strategie gaat niet op in een industriële omgeving, aangezien gebruikers
door de hoge kosten van overstappen gebaat zijn bij continuïteit tegen
redelijke kosten.
Oplossingsrichtingen bij belangenconflicten
Het moge duidelijk zijn dat de ernst van bovenstaande belangenconflicten
sterk afhangt van de werkelijke dynamiek in een gebruikersgroep en de
vrijheid voor individuele aanpassingen die een leverancier toestaat c.q.
in rekening brengt. Tevens kan er enige vertekening ontstaan door
gebruikers die het evaluatie- en selectieproces niet voldoende zorgvuldig
hebben doorlopen en eigenlijk een minder gelukkige keuze hebben gemaakt.
Uiteraard kunnen zich situaties voordoen die gebruikers doen besluiten om
de relatie met een leverancier te beëindigen.
Een tweetal bekende oplossingsrichtingen, te weten: gebruikersgroepen en
modularisatie van softwarepakketten worden reeds toegepast maar bieden
slechts in beperkte mate soelaas in de genoemde belangenconflicten. Nieuwe
wegen kunnen gezocht worden door leverancier en gebruikers sterker aan
elkaar te binden door een sterk gemeenschappelijk belang te ontwikkelen.
Uiteindelijk is de menselijke vindingrijkheid de enige beperking in het
vinden van nieuwe samenwerkingsvormen.
Gebruikersgroepen
Bij gebruikersgroepen kan men onderscheid maken in
leveranciersafhankelijke- en onafhankelijke gebruikersgroepen.
Groepsactiviteiten van leveranciersafhankelijke gebruikersgroepen worden
in veel gevallen door de leverancier van een pakket gefinancierd en worden
naast PR-doelen vooral gebruikt als medium voor productvoorlichting en om
het animo voor geplande wijzigingen te polsen bij de bestaande gebruikers.
Onafhankelijke gebruikersgroepen zijn in eerste instantie pressiegroepen
t.o.v. hun leveranciers. Men hoopt meer druk op de leverancier uit te
kunnen oefenen en daarmee zijn keuzes ten aanzien van pakketontwikkeling
te kunnen beïnvloeden. In beide gevallen worden eventuele
belangentegenstellingen niet verminderd maar mogelijk juist versterkt.
Leveranciersafhankelijke gebruikers dienen voornamelijk het (korte
termijn) commerciële belang van de leverancier en zijn erop gericht om de
‘band’ met de gebruikers te versterken. Onafhankelijke gebruikersgroepen
kunnen vaak de individuele belangen (bvb. afwijkende behoeften in
functionaliteit) binnen de groep niet overbruggen waardoor men genoodzaakt
is zich te beperken tot secundaire aspecten, zoals een versoepeling van de
contractvoorwaarden, verlaging van het ontwikkeluurtarief voor wijzigingen
en dergelijke.
Modularisatie en partnership
Een mogelijkheid om met name verschillen in functionele behoeften van
gebruikers te kunnen overbruggen is modularisatie van het standaardpakket
door de leverancier. Hij kan door het aanbieden van verschillende modules
de gebruiker in staat stellen naar eigen behoefte modules te selecteren en
te combineren. De gebruiker heeft zodoende meer keus en de leverancier kan
de ontwikkelingsinspanning concentreren op modules die meer aan
verandering onderhevig zijn dan andere. Modularisatie is gericht op
diversificatie van functionaliteit i.p.v. een standaard.
Een geheel andere benadering gaat uit van een partnershiprelatie tussen
leverancier en gebruiker. Deze spreken met elkaar af onder welke
voorwaarden nieuwe gebruikers worden ‘toegelaten’. Men kan er dus over
waken dat bvb. een concurrent mee profiteert van de eigen
gebruikersinbreng, dat alleen branchegenoten toegelaten worden, dat alleen
gebruikers die dezelfde technische systemen gebruiken mee kunnen doen,
enz. Bovendien bepalen de gebruikers gezamenlijk welke ontwikkelingen zij
in het pakket wensen, zonder voorwaarden gesteld door de leverancier.
Initieel kan een leverancier aan een groep gebruikers zijn pakket als
geestelijk eigendom verkopen. Echter, de leverancier verliest hiermee in
feite het autonome initiatief van klantenwerving en het uitbrengen van
nieuwe versies. Om deze constructie ook voor de leverancier aanvaardbaar
te maken zullen gebruikers een vooraf bepaalde financiële garantie aan de
leverancier moeten kunnen geven, bijvoorbeeld in de vorm van een (toeslag
op de) jaarlijkse huur voor het gebruiksrecht van de software. Een groot
gedeelte van de belangentegenstellingen is hiermee weggenomen. De
moeilijkheid bij dergelijke constructie is dat er een behoorlijke groep
gebruikers moet zijn om de kosten voldoende laag te houden en toch de
leverancier voldoende financiële compensatie te kunnen bieden. Voorts
werkt deze ‘co-maker’ constructie alleen bij voldoende wederzijds
vertrouwen.
Continuïteit
Bovenstaande rudimentaire benadering is niet uitgewerkt om als kant en
klare oplossingen door te gaan. Bovendien zullen niet in alle gevallen de
belangentegenstellingen zo groot zijn dat ingrijpende wijzigingen in
leveranciersstrategie en in de relatie met de gebruikers direct
noodzakelijk zijn. Belangrijk is wel dat de partijen zich realiseren dat
het de gebruikers zijn die als probleemhebber het initiatief zullen moeten
nemen inzake de richting waarin softwarepakketten (verder) ontwikkeld
zullen moeten worden, waarbij de leverancier hen helpt dit streven te
verwezenlijken. Men mag aannemen dat lang niet elke leverancier onverdeeld
positief tegenover dergelijke voorstellen staat. Echter op termijn zal ook
hij van een partnershiprelatie de vruchten kunnen plukken doormiddel van
het grotere vertrouwen en support van zijn gebruikersgemeenschap die hij
nodig heeft voor de continuïteit van zijn activiteiten. <<
Logiciel
industriel standard
Devoirs et obligations
Hubert Lahaut, Control & Automation Magazine
Des progiciels standard sont proposés depuis plusieurs années déjà pour
diverses applications techniques. L’utilisation de ces progiciels a pour
avantage de ne nécessiter aucun développement en interne – donc de n’exiger
aucun effort d’utilisation et de programmation du système d’information –
ou du moins, de le limiter. En revanche, il faut procéder à une évaluation
rigoureuse des progiciels disponibles sur le marché.
De manière générale, il est faux de croire que l’on trouvera d’emblée un
progiciel adéquat qui rencontre tous les critères fonctionnels ainsi que
les conditions annexes, parmi lesquelles le coût constitue généralement le
facteur décisif (les heures consacrées à l’évaluation, l’acquisition du
progiciel et du matériel, les modifications souhaitées, l’installation et
la formation des utilisateurs…). La problématique de l’évaluation des
paquets standard pour diverses applications techniques fait depuis un
certain temps l’objet d’études. Lors de l’évaluation et de la sélection
des paquets standard, on s’appuie généralement sur les souhaits en termes
de fonctionnalités et sur les possibilités budgétaires au moment de l’éventuelle
acquisition. Cependant, comme les efforts et les coûts peuvent être
conséquents, on escompte que le paquet pourra être exploité durant une
période assez longue. Les conditions posées lors de l’acquisition sont
susceptibles de changer au fil du temps, ce qui peut générer des problèmes
tant chez les utilisateurs que chez les éditeurs de logiciels.
Dynamique
Il est bien connu que la communauté n’est pas stationnaire. Ce phénomène
vaut également pour le monde industriel. Des utilisateurs qui se
montraient au départ satisfaits des fonctionnalités proposées par un
paquet standard, découvrent par la suite de nouveaux besoins qu’ils
aimeraient pouvoir combler. On peut supposer que les utilisateurs
débutants, en particulier, prennent plus de temps pour arriver à la fin de
leur ‘courbe d’apprentissage’. On parle souvent d’un mouvement de vague
durant lequel le client engrange progressivement de nouveaux souhaits qu’il
veut ensuite réaliser d’un seul coup dès qu’il a suffisamment d’arguments
pour justifier un investissement dans de telles modifications. Ensuite, il
se remet à engranger de nouveaux souhaits… Il se peut aussi que les
modifications souhaitées découlent non seulement d’une meilleure
perception de sa propre problématique (de production) mais aussi de
changements dans la situation de travail qui réclament une autre méthode
de travail, notamment dans le processus de production. La question
principale est de savoir dans quelle mesure un paquet peut être modifié et
quelles conditions y sont liées.
Un mariage de raison
Le mariage de raison entre l’utilisateur et le fournisseur démarre dès
l’instant où l’utilisateur, en tant que client de l’éditeur de logiciel,
appose sa signature sous le contrat de vente. L’utilisateur obtient contre
paiement le droit d’utilisation du progiciel mais il est simultanément lié
à certaines conditions (de mariage). Les menaces d’un tel mariage
découlent des conflits d’intérêts entre les deux parties. Pour l’utilisateur,
le paquet doit à tout instant répondre aux fonctionnalités souhaitées et
ce, à un prix acceptable, tandis que l’éditeur de logiciel vise à
maximaliser son bénéfice. En d’autres termes, le fournisseur détermine en
fin de compte lui-même les modifications qui seront reprises
structurellement dans son progiciel, par exemple lors d’une nouvelle
version, plutôt que d’implémenter toutes les modifications demandées par
les clients. Cette divergence d’intérêts peut être définie comme
.‘l’individualisme de l’utilisateur’ et le ‘dilemme du fournisseur’.
L’individualisme de l’utilisateur
Après quelque temps, l’utilisateur est susceptible de vouloir l’implémentation
de nouveaux desiderata. Il soumettra généralement ses souhaits au
fournisseur et lui demandera une offre pour ces modifications. Il va de
soi que des modifications spécifiques au client seront entièrement
facturées par le fournisseur ou par une tierce partie. Le fournisseur peut
également profiter de la dépendance du client à son égard. Les conditions
contractuelles relatives à l’utilisation du progiciel imposent souvent des
restrictions à l’utilisateur quant à la nature des modifications
autorisées et aux personnes autorisées à effectuer ces éventuelles
modifications. La seule alternative, généralement moins coûteuse, dont
dispose l’utilisateur, se présente lorsque le fournisseur décide d’implanter
les modifications en question dans une nouvelle procédure de travail ‘standard’,
qui sera ajoutée dans une nouvelle version. Si le fournisseur pouvait
consentir à une telle proposition, cela pourrait signifier une éventuelle
réduction des coûts liés aux modifications logicielles de cet utilisateur.
Ces modifications pourraient cependant se révéler superflues ou néfastes
pour d’autres. Une telle méthode d’adaptation peut générer un grand
mécontentement si le fournisseur compte parmi ses clients quelques grands
utilisateurs et de nombreux petits. Les gros clients peuvent en effet
exercer une plus grande influence et auront dès lors plus de chances que
les ‘petits’ utilisateurs à faire passer leurs souhaits sous la forme de
nouveaux standards. Dans le cas extrême, un utilisateur individuel
pourrait décider de migrer vers un autre paquet (fournisseur) ou
développer sa solution en interne. Les coûts et risques d’une telle
décision sont toutefois grands et, au bout du compte, son problème de
dépendance sera simplement transféré vers une autre partie.
Le dilemme du fournisseur
Puisque les fournisseurs visent en fin de compte leur rentabilité, ils
chercheront en principe à minimaliser leurs efforts en développement
logiciel et à maximaliser les revenus provenant de la vente de droits d’utilisation
à de nouveaux utilisateurs et d’applications rétribuées. Toutefois, ces
deux activités génératrices de revenus confrontent le fournisseur à un
important dilemme qui peut constituer une menace pour sa pérennité. On
pourrait supposer qu’en vendant un plus grand nombre d’un même paquet, les
frais de développement pourraient être répartis sur plus d’utilisateurs et
permettre de meilleures marges bénéficiaires pour le fournisseur. La vente
de progiciels en grandes quantités à de nouveaux clients assure en effet,
à court terme, les revenus escomptés. Cependant, le nombre d’utilisateurs
et la quantité potentielle de demandes de changements/adaptations
augmenteront de pair. Les fournisseurs éprouveront donc toujours plus de
difficultés à rencontrer tous les souhaits sans abandonner le principe du
progiciel. Un grand groupe d’utilisateurs peut également freiner l’introduction
de nouvelles versions dans lesquelles de nouvelles visions ont été
intégrées et des concepts dépassés supprimés.
L’autre activité génératrice de revenus, l’adaptation du paquet aux
besoins des utilisateurs individuels, peut être très lucrative pour un
fournisseur qui compte de nombreux utilisateurs ‘actifs’. Cependant, cela
l’oblige aussi à tenir à jour un nombre croissant de configurations d’un
même paquet. De ce fait, il devient de plus en plus difficile d’introduire
de nouvelles versions, versions élégantes et non palliatives, qui tiennent
compte des configurations existantes. Les frais de développement de
nouvelles versions peuvent devenir si conséquents que celles-ci ne sont
plus concurrentielles et que les utilisateurs passent à autre chose. Un
fournisseur de logiciels standard pourrait naturellement se positionner
comme un fournisseur de logiciels universels, tels que les traitements de
texte et les tableurs qui ne sont pas liés à une fonction, et accepter que
certains utilisateurs partent pour autant qu’il décroche assez de nouveaux
clients. Une telle stratégie est impensable dans l’environnement
industriel puisque les utilisateurs ont tout intérêt, vu les frais élevés
qu’entraîne une migration, à opter pour la continuité à des coûts
raisonnables.
Lignes de conduite dans les conflits d’intérêts
Qu’il soit clair que la gravité des conflits d’intérêts décrits ci-dessus
dépend fortement de la dynamique effective qui existe au sein d’un groupe
d’utilisateurs et de la liberté d’adaptations individuelles qu’autorise ou
facture le fournisseur. Il peut également y avoir de légères distorsions
induites par des utilisateurs qui n’ont pas parcouru consciencieusement le
processus d’évaluation et de sélection et qui ont en fait opéré un choix
moins heureux. Certaines situations peuvent aussi inciter les utilisateurs
à mettre un terme à la relation avec un fournisseur.
Il existe deux possibilités bien connues pour résoudre les problèmes, à
savoir les groupes d’utilisateurs et la modularité des progiciels. Toutes
deux sont déjà appliquées mais n’offrent qu’un faible répit dans les
conflits d’intérêts cités. De nouvelles voies peuvent être trouvées en
liant davantage le fournisseur et les utilisateurs par le développement d’un
solide intérêt commun. En fin de compte, l’ingéniosité humaine est la
seule restriction dans la recherche de nouvelles formes de collaboration.
Groupes d’utilisateurs
Dans les groupes d’utilisateurs, on distingue les groupes d’utilisateurs
dépendant d’un fournisseur et les groupes d’utilisateurs indépendants. Les
activités des groupes dépendant d’un fournisseur sont souvent financées
par le fournisseur d’un progiciel et sont utilisées non seulement à des
fins de fidélisation mais aussi comme moyen d’information sur le produit
et dans le but de sonder l’enthousiasme des utilisateurs pour les
modifications planifiées. Les groupes d’utilisateurs indépendants sont
avant tout des groupes de pression par rapport aux fournisseurs. Ils
espèrent pouvoir exercer une plus grande pression sur le fournisseur et
influencer ainsi ses choix quant au développement du paquet. Dans les deux
cas, les éventuels conflits d’intérêts ne sont pas aplanis mais renforcés.
Les groupes dépendant d’un fournisseur servent principalement l’intérêt
commercial (à court terme) du fournisseur et cherchent à consolider le
lien avec les utilisateurs. Les groupes d’utilisateurs indépendants ne
peuvent que rarement surmonter les intérêts individuels (des besoins
différents en fonctionnalité par exemple) au sein du groupe. De ce fait,
il faut se limiter à des aspects secondaires comme un assouplissement des
conditions contractuelles, une réduction du tarif horaire de développement
pour les modifications et autres…
Modularité et partenariat
La modularité du progiciel standard par le fournisseur est une possibilité
permettant de surmonter notamment les différences de besoins fonctionnels
des utilisateurs. En proposant divers modules, il peut permettre à l’utilisateur
de sélectionner et combiner des modules selon ses besoins. L’utilisateur
bénéficie dès lors d’un plus grand choix et le fournisseur peut concentrer
l’effort de développement sur des modules qui sont plus sujets à des
changements que d’autres. La modularité s’axe sur la diversification de
fonctionnalité plutôt que sur un standard. La relation de partenariat
entre le fournisseur et l’utilisateur part d’une toute autre approche.
Ceux-ci conviennent ensemble sous quelles conditions de nouveaux
utilisateurs sont ‘admis’. Les utilisateurs peuvent donc surveiller qu’un
éventuel concurrent ne profite pas de leur apport, que seuls les collègues
du même secteur soient admis, que seuls les utilisateurs utilisant les
mêmes systèmes techniques puissent participer… En outre, les utilisateurs
déterminent ensemble quels développements ils souhaitent dans le progiciel,
sans conditions stipulées par le fournisseur. Le fournisseur peut au
départ vendre son logiciel à un groupe d’utilisateurs sous la forme de
propriété spirituelle. Dans ce cas, il perd toutefois l’autonomie d’acquisition
de clients et la mise sur le marché de nouvelles versions. Afin de rendre
ce montage également acceptable pour le fournisseur, les utilisateurs
devront pouvoir donner au préalable une garantie déterminée au fournisseur,
par exemple sous la forme d’un (supplément sur le) loyer annuel pour le
droit d’utilisation du logiciel. Cela supprime une grande part des
conflits d’intérêts. La difficulté d’un tel arrangement, c’est qu’il faut
un groupe d’utilisateurs conséquent pour maintenir les coûts assez bas
tout en offrant au fournisseur une compensation financière suffisante.
Cette solution ‘co-maker’ fonctionne uniquement moyennant une bonne
confiance mutuelle.
Continuité
L’approche rudimentaire citée ci-dessus n’a pas été élaborée pour être
conçue comme une solution prête à l’emploi. En outre, les conflits d’intérêts
ne nécessiteront pas toujours des modifications radicales dans la
stratégie du fournisseur et dans la relation avec les utilisateurs. Il est
toutefois important que les parties réalisent que ce sont les utilisateurs
qui, confrontés à un problème, devront prendre l’initiative quant à l’orientation
vers laquelle les progiciels devront être développés. Le fournisseur devra
quant à lui, les aider à atteindre cet objectif. On peut comprendre que
tous les fournisseurs ne soient pas unanimement positifs à l’égard de
telles propositions. A terme, ils pourront toutefois bénéficier d’une
relation de partenariat grâce à la confiance et au support accrus de la
communauté d’utilisateurs dont ils ont besoin pour poursuivre leurs
activités. <<
|