Controle en monitoring
Antwerpse Waaslandtunnel eindelijk veilig


version française

Hubert Lahaut, Control & Automation Magazine

De noodzakelijke aanpassingen aan de 1,8 km lange Antwerpse Waaslandtunnel onder de Schelde door – in 2003 door verschillende Europese automobielclubs nog geklasseerd als een ‘rattenval’ – zijn eindelijk achter de rug. De 6,4 meter brede tunnelkoker, die in 1932 werd gegraven, blijft natuurlijk wat hij is, maar voor de rest zijn alle veiligheidsvoorzieningen aan de strengste hedendaagse normen aangepast.


De branden in de Kanaaltunnel, de Störebeltunnel, de Mont Blanc tunnel en de Tauerntunnel bewijzen hoe belangrijk de informatiesystemen, veiligheids- en verluchtingssystemen in tunnels moeten zijn. Deze verkeersbeheersing, begeleidings- en informatiesystemen zijn bedoeld om de verkeersveiligheid te verhogen. Voor zowel de Waaslandtunnel (autoverkeer) als de Sint-Annatunnel (voetgangers en fietsers) werd de opdracht voor levering en installatie van de globale sturing van de infrastructuur alsook het vernieuwen van de ventilatie-uitrusting, toegewezen aan Egemin. Op basis van vroegere goede ervaringen selecteerde Egemin, Phoenix Contact voor de installatie van de nodige sturing- en controlesystemen.

Verantwoorde keuzes
“De werkzaamheden voor beide tunnels gebeurde in vier fasen. De eerste fase was de installatie van dertig CCTV-camera’s die via een Fiber optic hun informatie verzenden naar het centrale controlecentrum op Linkeroever én naar het Vlaams verkeerscentrum (T70). De tweede fase was het vervangen van de verouderde hoog- en laagspanningsinfrastructuur, waarbij alles moest kunnen worden bediend vanuit één centraal punt. De derde fase bestond uit het installeren van een nieuwe ventilatie-uitrusting voor de Waaslandtunnel, waarbij ook nieuwe rookafvoerkleppen in het tunnelplafond werden geplaatst. De vierde fase was – in samenwerking met Demako – het moderniseren van de aandrijving/motoren van de beschermde roltrappen van de Sint-Annatunnel,” aldus Koen Cools, Project Manager bij Egemin en coördinator van het volledige project. De technische infrastructuur van een tunnel is uiteraard niet eenvoudig en moet ‘failsafe’ zijn. Enkele voorbeelden van servicefaciliteiten die het controlenetwerk moet afhandelen zijn: voorziening van sterk- en zwakstroom, ventilatie, camerabewaking, pompbeheer en andere technische alarmen. Daarnaast zijn er nog diverse signalen voor andere onderdelen van de infrastructuur die moeten zorgen voor een perfecte werking van het geheel. Koen Cools: “Voor wat betreft de Waaslandtunnel, werd zowel aan het Linkeroever- (LO) als Rechteroeverportaal(RO) van de tunnelkoker voor Phoenix Contact controllers en sturingsystemen gekozen. Deze verwerken via een SCADA-systeem (CITECT) de remote signalen via remote I/O’s over een Interbus netwerk met een snelheid van 100 Mbits/sec, dat gekoppeld is aan het centrale beheersysteem. Om veiligheidsredenen en om de ovedrachtsnelheid te bevorderen werd het gehele netwerk uitgevoerd in een ringvormige structuur, met de nodige vertakkingen, van optische vezel. Deze structuur zorgt er voor dat de continuïteit van de communicatie gegarandeerd blijft. Er werd ook gekozen voor Interbus omdat het voor dit project de ideale technologie was voor wat betreft het uitlezen van de benodigde informatie op veel verschillende plaatsen en over lange afstanden. Bovendien is het een betrouwbare industriële standaard die eenvoudig te installeren en gebruiksvriendelijk is. Daarnaast maakt het gebruik van optische vezels het mogelijk om grote afstanden te overbruggen zonder gebruik te maken van ‘repeaters’ om een hoge transmissiesnelheid te bereiken. Er is ook een goede bescherming tegen EMC die mogelijk zou kunnen veroorzaakt worden door hoge voltagekabels in de dienstentunnels. De ringvormige structuur van het Interbus netwerk staat ook garant voor een hoge betrouwbaarheid van het communicatieverkeer tussen de verschillende stations.”

Nieuwe ventilatie-uitrusting
Het verouderde ventilatiesysteem van de Waaslandtunnel, dat nog dateerde van 1934, was van het type transversale luchtverversing met radiale ventilatoren: verse lucht werd in het verse luchtkanaal onder de rijweg ingeblazen, terwijl de vuile lucht – of in geval van brand of rookontwikkeling – werd afgezogen in het bedorven luchtkanaal boven de rijweg. Het verse luchtkanaal had een doorsnede van 7,44 m², waarbij de lucht gelijkmatig werd verdeeld over de tunnel langs openingen met een tussenafstand van zes meter. De vuile luchtschacht had een sectie van 7,72 m². Hier gebeurde de afzuiging gelijkmatig langs twee rijen openingen, eveneens met een tussenafstand van zes meter. Per sectie (de Waaslandtunnel is onderverdeeld in vier secties) waren er drie ventilatoren voor het inblazen van verse lucht en drie ventilatoren voor het afzuigen van de vervuilde lucht. Allen waren van het radiale type en stonden opgesteld in twee identieke verluchtingsgebouwen (LO en RO). Koen Cools: “De bestaande radiale ventilatoren – die nog uit gietijzer waren gemaakt – werden dus vervangen door moderne axiale ventilatoren waarbij het volume kan worden geregeld door middel van variatie van het toerental. Per sectie zorgen nu twee in plaats van drie ventilatoren voor het inblazen van verse lucht en twee ventilatoren voor het afzuigen van de vervuilde lucht. De bestaande aanzuigopeningen in de tunnel werden dichtgemaakt en vervangen door vijf nieuwe rookafvoerkleppen per sectie (voor de langere sectie RO-OS worden zes kleppen voorzien). Bij brandsituatie worden de twee kleppen (of drie, naargelang de plaats van de brand) ter hoogte van de brandhaard voor een maximale rookafzuiging volledig open gezet terwijl alle andere kleppen worden gesloten. In normaal gebruik zijn deze kleppen getrimd om een gelijkmatige afzuiging over de volledige sectielengte te bekomen. Het geheel van elementen voor extractie van vuile lucht en rookgassen voldoet aan volgende temperatuurseisen: 250°C gedurende 1 uur. De bedoelde elementen zijn: ventilatoren, rookafvoerkleppen, elektrische motoren, voedings- en signalisatiekabels voor al deze elementen, soepele bindstukken, geluidsdempers, kokers, geleidingsschoepen, enz. De maximale ventilatiebehoefte bij normaal bedrijf bedraagt voor zowel de verse als vervuilde lucht 50 m³/sec. per sectie. Zowel de verse als vervuilde luchtventilatoren werden in parallel opgesteld waarbij één in bedrijf is en één in standby. De verse lucht ventilatoren werden aangesloten op de bestaande schachten in de huidige ventilatieruimte terwijl de vuile lucht ventilatoren werden geplaatst op de aanzuigopeningen van de vorige ventilatoren en door middel van kokerprofielen aangesloten op de bestaande schouwen. Uiteraard werden ook de nodige bewakingssystemen zoals trillingsbewaking, volumemeting en meting van het drukverschil, detectie van pompwerking, omwentelingssnelheid en bewaking van de draaizin, drukmetingen, temperatuurontwikkeling, enz., ingebouwd “

Automatisering
De volledige hoog- en laagspanningsuitrusting staat op de tweede verdieping van elk ventilatiegebouw en de elektrische voeding van de ventilatoren en de rookafvoerkleppen gebeurt vanuit bijgeplaatste modules die naast de LS-kasten zijn geïnstalleerd. In deze modules zijn de motorbeveiliging en de toerentalregeling van de ventilatoren en sturing van de rookafvoerkleppen in onder gebracht. “Koen Cools: “Alle bedieningen zoals ventilatoren, pompen, verlichting, CO-detectie, … worden bestuurd en bewaakt op afstand via een PLC-systeem met Ethernet standaard ingebouwd en met visualisatie op een pc-scherm. Alle in- en uitgangssignalen die nodig zijn voor de goede werking, zijn door middel van een gepaste fysische verbinding en een gestandaardiseerd communicatieprotocol – in ons geval dus Interbus – ter beschikking gesteld van de PLC voor afstandsbediening. Naast de stuur- en bewakingssignalen voor de verschillende componenten worden ook de status en foutmeldingen van de actieve netwerkcomponenten naar het afstandsbedieningssysteem doorgestuurd. Zoals reeds aangehaald is de bewakingseenheid voor de ventilatoren een PLC die de gewenste instelling (o.a. debiet) en stand van de rookafvoerkleppen van het afstands- en bedieningssysteem via een gestandaardiseerd communicatieprotocol ontvangt. Deze waarde wordt gebruikt om de ventilatoren – inclusief afsluitkleppen en hulpapparatuur – en de rookafvoerkleppen aan te sturen. De frekwentieregelaar van de ventilator is via een bussysteem gekoppeld met de bewakingseenheid. Via deze weg wordt de actuele toestand (toerental, koppel, …) en alle mogelijke foutmeldingen doorgegeven aan het afstandsbedieningssysteem. Daarenboven verzamelt de bewakingseenheid alle meetwaarden en bewakingssignalen van de meet- en bewakingsapparatuur van de ventilator en de stand van de rookafvoerkleppen en stuurt deze door naar het afstands- en bedieningssysteem. Voor de bediening van de ventilatoren en rookafvoerkleppen worden verschillende regimes voorzien (brand, normaal, spits, onderhoudsprogramma, …). Voor wat betreft het onderhoudsprogramma, dit laat toe om op regelmatige tijdstippen (instelbaar) de ventilatoren op volle vermogen te doen draaien met als bedoeling: een werkingstest en reinigen van de vuile luchtschachten.” <<

Contrôle et surveillance
Le Waaslandtunnel anversois enfin sûr


Hubert Lahaut, Control & Automation Magazine

Les adaptations nécessaires au Waaslandtunnel anversois long de 1,8 km sous l’Escaut – qualifié encore en 2003 par différents clubs automobiles européens de véritable ‘piège à rats’ – sont enfin terminées. Creusé en 1932, le conduit du tunnel, d’une largeur de 6,4 mètres, reste naturellement ce qu’il est. Cependant, pour le reste, tous les dispositifs de sécurité ont été adaptés aux normes les plus strictes actuellement en vigueur.


Les incendies dans le tunnel sous la Manche, le Störebeltunnel, le tunnel du Mont Blanc et le Tauerntunnel démontrent l’importance des systèmes d’information, de sécurité et d’aération dans les tunnels. Les systèmes de contrôle, de guidage et d’information sont conçus pour accroître la sécurité du trafic. La mission de fourniture et d’installation de la commande globale de l’infrastructure de service, de même que la rénovation de l’équipement de ventilation ont été confiées à Egemin, tant pour le Waaslandtunnel (trafic automobile) que pour le Sint-Annatunnel (piétons et cyclistes). Forte de bonnes expériences antérieures, Egemin a choisi Phoenix Contact pour l’installation des systèmes de commande et de contrôle nécessaires.

Des choix judicieux
«Les travaux dans les deux tunnels se sont déroulés en quatre phases. La première phase a été consacrée à l’installation de trente caméras CCTV qui envoient par fibre optique Ethernet à 100 Mbits/sec leurs informations au centre de contrôle central du Linkeroever (rive gauche) ainsi qu’au centre de trafic flamand (T70). La deuxième phase consistait à remplacer la vieille infrastructure haute et basse tension. Tout devait pouvoir être commandé à partir d’un seul point central. La troisième phase s’est axée sur l’installation d’un nouvel équipement de ventilation pour le Waaslandtunnel avec le placement de nouveaux exutoires de fumée dans le plafond du tunnel. La quatrième phase portait –en collaboration avec Demako- sur la modernisation de l’entraînement/des moteurs des escalators protégés du Sint-Annatunnel» explique Koen Cools, Project Manager chez Egemin et coordinateur de l’ensemble du projet. Naturellement, l’infrastructure technique d’un tunnel est assez complexe et doit être ‘intrinsèquement sûre’. Voici quelques exemples des installations de service que doit gérer le réseau de contrôle: approvisionnement en courant fort et en courant faible, ventilation, surveillance par caméra, gestion des pompes et autres alarmes techniques. Par ailleurs, divers signaux destinés à d’autres éléments de l’infrastructure doivent assurer le fonctionnement parfait de l’ensemble. «En ce qui concerne le Waaslandtunnel, le choix s’est porté tant au portail du Linkeroever (LO) qu’à celui du Rechteroever (RO – rive gauche) du tunnel sur des contrôleurs et systèmes de commande de Phoenix Contact. Ceux-ci traitent à distance, à l’aide d’un système SCADA (CITECT), les signaux provenant d’E/S décentralisées et circulant à une vitesse de 100 Mbits/sec sur un réseau Interbus relié au système de gestion central. L’ensemble du réseau en fibre optique a été réalisé dans une structure annulaire présentant les embranchements nécessaires pour assurer la sécurité requise et améliorer la vitesse de transfert. Cette structure garantit la continuité de la communication. Pour ce projet, Interbus s’est avéré être la technologie idéale pour la lecture des informations nécessaires à de nombreux endroits différents et sur de longues distances. En outre, ce standard industriel est fiable, facile à installer et convivial. Par ailleurs, l’utilisation de fibres optiques permet de couvrir de grandes distances sans nécessiter le recours à des ‘répétiteurs’ pour atteindre une grande vitesse de transmission. La protection contre les éventuelles interférences électromagnétiques engendrées par la présence de câbles haute tension dans les tunnels de service est également assurée. La structure annulaire du réseau Interbus garantit enfin une grande fiabilité du trafic de communication entre les différentes stations» explique Koen Cools.

Nouvel équipement de ventilation
Le vieux système de ventilation du Waaslandtunnel, qui datait encore de 1934, était un modèle transversal de rafraîchissement de l’air avec des ventilateurs radiaux. L’air frais était soufflé dans le canal d’air frais situé sous la route tandis que l’air pollué –ou les fumées en cas d’incendie ou de développement de fumée – était aspiré dans le canal d’air vicié situé au-dessus de la route. Le canal d’air frais présentait un diamètre de 7,44 m². L’air était réparti uniformément tout le long du tunnel via des ouvertures distantes de 6 mètres. Le conduit d’air vicié présentait une section de 7,72 m². Ici, l’évacuation se faisait uniformément via deux rangées d’ouvertures, également distantes de 6 mètres. Chaque section (le Waaslandtunnel est divisé en quatre sections) comptait trois ventilateurs pour insuffler l’air frais et trois ventilateurs pour évacuer l’air vicié. Tous étaient de type radial et disposés dans deux bâtiments d’aération identiques (LO et RO). «Les ventilateurs radiaux existants –qui étaient encore fabriqués en fonte– ont donc été remplacés par des ventilateurs axiaux modernes dont le débit peut être régulé en variant la vitesse» précise Koen Cools. «Deux ventilateurs plutôt que trois par section se chargent maintenant d’insuffler de l’air frais et deux autres d’évacuer l’air vicié. Les bouches d’aspiration existantes dans le tunnel ont été fermées et remplacées par cinq nouveaux exutoires de fumée par section (pour la section plus longue RO-OS, six exutoires ont été prévus). En cas d’incendie, les deux (ou trois, selon le lieu de l’incendie) exutoires à hauteur du foyer d’incendie sont entièrement ouverts pour assurer une aspiration maximale de la fumée tandis que tous les autres exutoires sont fermés. Lors d’une utilisation normale, l’ouverture de ces exutoires est équilibrée pour obtenir une aspiration uniforme sur toute la longueur des sections. L’ensemble des éléments destinés à l’extraction de l’air vicié et de gaz de fumée (ventilateurs, exutoires de fumée, moteurs électriques, câbles d’alimentation et de signalisation pour tous ces éléments, raccords souples, amortisseurs sonores, conduits, pales de guidage…) rencontre les exigences de température suivantes: 250°C durant une heure. Le besoin de ventilation maximal en utilisation normale s’élève à 50m3/sec par section, tant pour l’air frais que pour l’air vicié. Les ventilateurs d’air frais et ceux d’air vicié ont été disposés en parallèle, l’un étant en service et l’autre en standby. Les ventilateurs d’air frais ont été raccordés aux conduits existants dans l’espace de ventilation actuel tandis que les ventilateurs d’air vicié ont été placés sur les bouches d’aspiration des ventilateurs précédents et raccordés au moyen de conduits profilés aux cheminées existantes. Bien entendu, les systèmes de surveillance nécessaires ont été intégrés : surveillance des vibrations, mesure du volume et de la différence de pression, détection du fonctionnement des pompes, vitesse de rotation et surveillance du sens de rotation, mesures de pression, développement de température… .»

Automatisation
L’équipement basse et haute tension complet est hébergé au deuxième étage de chaque bâtiment de ventilation et l’alimentation électrique des ventilateurs et des exutoires de fumée se fait à partir de modules additionnels, placés près des armoires basse tension. Ces modules abritent la protection moteur et la régulation de vitesse des ventilateurs ainsi que la commande des exutoires de fumée. «Toutes les commandes telles que ventilateurs, pompes, éclairage, détection du CO… sont pilotées et surveillées à distance par un PLC intégrant le standard Ethernet et une visualisation sur un écran PC. Tous les signaux d’entrée et de sortie nécessaires pour le bon fonctionnement de l’ensemble de l’installation sont mis à disposition du PLC pour la commande à distance au moyen d’une connexion physique adéquate et d’un protocole de communication standardisé – dans notre cas Interbus. Outre les signaux de commande et de surveillance des différents composants, l’état et les messages d’erreur des composants actifs du réseau sont également transférés au système de commande à distance. Comme nous l’avons déjà dit, l’unité de surveillance des ventilateurs est un PLC qui reçoit la consigne souhaitée (notamment le débit) et l’état des exutoires de fumée du système de commande à distance via un protocole de communication standardisé. Cette valeur est utilisée pour piloter les ventilateurs – y compris les vannes d’isolement et l’équipement de secours – et les exutoires de fumée. Le convertisseur de fréquence du ventilateur est relié via un bus de terrain à l’unité de surveillance. Par cette voie, l’état actuel (vitesse, couple…) et tous les messages d’erreur éventuels sont transmis au système de commande à distance.
En outre, l’unité de surveillance rassemble les valeurs de mesure et signaux de surveillance de l’équipement de mesure et de surveillance du ventilateur ainsi que l’état des exutoires de fumée et envoie le tout au système de commande à distance. Différents régimes sont prévus pour la commande des ventilateurs et exutoires de fumée (incendie, normal, pointe, programme de maintenance…). Le programme de maintenance permet quant à lui de faire tourner régulièrement (réglable) les ventilateurs à pleine puissance en vue de tester le fonctionnement et de nettoyer les conduits d’air vicié» termine Koen Cools. <<

 

©