Bouwen met licht
Een spel van krachten
De evolutie van de productietechnieken laat heden ten dage toe verlichtingsapparatuur te bouwen die niet alleen meer en beter verlichten, maar ook esthetisch beter verantwoord zijn. De producenten hebben in die richting inspanningen gedaan door het aanwerven van bekwame ontwerpers voor het creëren van toestellen welke techniek en esthetiek verenigen.
Naast de armatuurfabrikanten komt een grote verdienste in deze evolutie heel zeker toe aan de lampenfabrikanten zelf, die erin slagen steeds minder lampen voor steeds meer licht te fabriceren.
De door de fabrikanten aangeboden verlichtingsapparatuur verenigt op een intelligente wijze de voordelen van de verschillende bronnen. Op die manier kan de architect en/of verlichtingsspecialist die zorg wil besteden aan een esthetische én doeltreffende verlichting, het licht daarheen brengen waar het nodig is. Hiervoor kan hij beroep doen op een echte lichtkoker waarbij hij, volgens de behoeften van de klant, verschillende verlichtingstechnieken kan toepassen.
Door op die manier te werk te gaan speelt de verlichtingsspecialist op twee niveaus: verlichten waar het nodig is i.v.m. de leef- en werkomgeving en tevens een lichtklimaat scheppen die de architecturale kwaliteiten van het geheel accentueren en op die manier een aangename sfeer scheppen die de menselijke activiteiten bevorderen.
De presentatie en de (architecturale) verlichting die gebruikt wordt in de verschillende projecten moet dan ook worden beschouwd volgens verschillende punten. Ieder van deze punten brengt een nieuwe eis aan de verlichtingsinstallatie, en het is aan de verlichtingsadviseur het beste antwoord te vinden. M.a.w. het verlichtingssysteem moet heel precies worden gekozen, rekening houdend met de specifieke doeleinden/opdrachten van de gebruiker.
Nog te dikwijls begaat men de vergissing de "architecturale" verlichting te zien als een synoniem van het gebruik van mooie armaturen en andere spots die, toevallig, ook verlichten. In werkelijkheid moeten alle armaturen en andere lichtpunten, zelfs de meest functionele, een specifiek doel hebben. Zij moeten aan onze (werk)omgeving een visueel impact geven. Bij de aanpak van een verlichtingsproject moet men dus niet alleen de plattegrond van de te verlichten ruimtes bekijken, maar zich tevens proberen te verplaatsen in de situatie ter plekke. Voor een goede aanpak van een verlichtingsontwerp komt meer kijken dan de aanduiding "graag zoveel lux, en graag die en die lampen."
Onafhankelijk van de soort en grootte van een verlichtingsinstallatie zou iedereen moeten uitgaan van een degelijk, vooraf opgemaakt schema. De ontwerpfase is het moment waarop alle mogelijkheden nog open liggen. Het is dé fase waarin de architect en/of lichtspecialist de lichtkwaliteit en het lichtsysteem nog kunnen aanpassen. Lichtkwaliteit en lichtsysteem zijn immers bepalend voor het lichtklimaat in het te realiseren project. Het is daarom goed dat men zich afvraagt:
- Wat voor technische mogelijkheden staan mij ter beschikking?
- Welke vrijheid dient straks ten dienste te staan bij de inrichting?
- Hoe stel ik mij de gebruiksatmosfeer van het gebouw of de ruimte(s) voor?
Architecturale verlichting: hoe en wat?
In zekere zin, en zeker wanneer men over verlichting in en van gebouwen spreekt, is elke verlichting (ook) architecturaal. Deze laatste term wordt hier dan wel degelijk gebruikt in zijn meest brede betekenis. Een goede verlichting kan (alleen) verwezenlijkt worden door en nauwe samenwerking tussen architect, verlichtingsadviseur en gebruiker, en door gebruik te maken van enkele simpele regels. Kunnen wij de verlichting los zien van de architectuur? Dit zou de zaken misschien iets vergemakkelijken, maar heeft niets te maken met de manier waarop een ruimte moet worden beoordeeld.
Volgens een Zweeds instituut, gespecialiseerd in het bestuderen van onze woon- en werkgewoontes, moet zo’n ruimtebeoordeling rekening houden met volgende 8 punten: originaliteit, affectiviteit, sociaal statuut, lichtvermogen/inval, de ruimte(s), eenvormigheid, complexiteit en aankleding.
Bij nazicht van deze punten stelt men de afwezigheid vast van enkele typische architecturale of lichttechnische punten, zoals volume, materialen en verlichtingsmogelijkheden. Het feit dat de verschillende componenten van één ruimte niet apart kunnen worden beoordeeld, bewijst dat zij een éénheid (moeten) vormen. M.a.w. de verlichting moet dus een éénheid vormen met de rest van de ruimte.
Moet men nu een utiliteitsgebouw bekijken, ruimte per ruimte, en de verlichting aanpassen aan elk van deze? Dit is misschien de ideale methode, maar ook de moeilijkste. Wil men op deze manier werken, dan moet men kunnen beschikken over bepaalde inlichtingen waarover men moeilijk zekerheid kan krijgen (bvb. de verschillende reflectiefactoren, terwijl in de meeste gevallen de ruimtes nog niet zijn aangekleed). Het is beter zich te concentreren op die effecten die gemaakt worden door elke functionele verlichtingsinstallatie, zodat men later (indien nodig) met enkele kleine eenvoudige aanpassingen mogelijke storende effecten of onvolkomenheden kan wegwerken.
Men moet wel rekening houden met het feit dat, een ruimte die wordt verlicht door verschillende lichtpunten altijd een zekere vorm aanneemt. Deze diverse vormherhalingen vormen samen een groep. Deze groep moet een éénheid vormen wil men toevalligheden vermijden. Beschouw de te verlichting zones dan ook als materiële vormen, en rangschik ze, rekening houdend met de "ritmes" van de bouwstijl. En hier komt de essentiële samenwerking tussen architect en verlichtingsadviseur/installateur tot uiting. Het is daarom tevens aan te raden dat de verlichtingsspecialist bij het uittekenen van zijn plan dezelfde schaal gebruikt als de architect. In een interieur waar dekoratie en/of meubilering een grote rol spelen (en in principe doen ze dat altijd), moet de plaatsing van de verschillende lichtpunten zo juist mogelijk zijn aangegeven (op +/- 15 cm juist). Dit resultaat kan men alléén bekomen indien er een nauwe samenwerking heerst.
Algemene gebruikerseisen
Men verlicht om een omgeving en/of koopwaar doelmatig zichtbaar te maken, en om zo optimaal mogelijk te kunnen werken. Allereerst moet daarom voor ieder verlichtingsproject een analyse van de visuele taak gemaakt worden. Wie moet wat kunnen zien. Hierbij dient men grootte, kleur en contrast te bekijken van hetgeen zichtbaar gemaakt moet worden. Dat zijn de aspecten die voor een goed zicht moeten zorgen.
Na de zichtbepaling komt men automatisch tot de vraag: "moet dat bvb. sfeer- of werkplekverlichting zijn, of gerichte verlichting, of verlichting van grote oppervlakken?" Hier komt dus een stuk ergonomie bij kijken. Aanpassing aan de situatie. Hier is dus wel degelijk een verschil tussen renovatie en nieuwbouw. Bij een renovatie is men meestal kritischer omdat men reeds enige ervaring heeft. Men kent het gebouw en zijn verschillende ruimtes, terwijl men bij nieuwbouw toch nog altijd het resultaat moet afwachten.
Het gebeurt nog te vaak dat de eerste stappen van een verlichtingsproject te snel worden afgedaan, terwijl ze toch heel belangrijk zijn. Wanneer in een vroeg stadium de wensen met betrekking tot de kunstlichtsituatie duidelijk zijn geformuleerd, dan wordt in een latere fase het uitzoeken van aangepaste armaturen een aanzienlijk simpelere zaak. Dan hoeft immers niet meer te worden geëxperimenteerd, en kan worden volstaan met het doelgericht kiezen uit een beperkt – in een tevoren ontwikkelt schema – passend assortiment armaturen.
Hoe dikwijls gebeurt het niet dat men een (mooi) armatuur heeft besteld, zonder een grondige specificatie van de eisen. Een specificatie in termen van continuïteit van verlichtingsniveau, van luminantieverhoudingen en van verblindingspreventie is echt belangrijk. Niet alleen vanwege de gebruikswaarde, maar ook omdat men daarmee de eerste beslissing over de kosten heeft genomen. Want de wens om bvb. 500 lux in plaats van minder of een betere kleurweergave dan normaal, gaat meestal wel degelijk met een prijsverhoging gepaard. De algemene verbruikerseisen omvatten soms veel meer dan men vermoedt. Zoals het toepassingsgebied. Welke is de bestemming van het gebouw? Welke ambiance moet de verlichting creëren?
Bij gebouwen die gericht zijn op de verkoop van goederen en diensten zal minder met nuchtere getallen in het verlichtingsplan gewerkt worden dan bvb. voor kantoren. Hier speelt ook, afhankelijk van de doelstelling, een bepaalde intuïtieve benadering mee, alhoewel men deze toch ook niet mag overdrijven. Kunstlicht mag geen onaantastbaar medium zijn, integendeel, het moet flexibel en manipuleerbaar zijn. Men mag niet uit het oog verliezen dat licht niet alleen emotioneel moet zijn, maar ook hét middel bij uitstek. Dus soms moet men kiezen voor die lampen die een meer flatteuze indruk geven, zodat de verlichting niet alleen naar zuivere rationele eisen wordt beoordeeld.
Integratie
Een deel van het licht is gerust te integreren in de bouw zelf, zonder dat daarbij direct gedacht moet worden aan een gebouw vol stopcontacten. Het is dan wel zaak dat het woord integreren niet alleen wordt vertaald met inbouwen. Want waarom moeten plafonds als een soort weg van de minste weerstand worden gebruikt? Het ene inbouwsysteem heeft nog betere spiegels dan het andere, terwijl de fabrikanten van lichtbronnen hun uiterste best doen om zoveel mogelijk licht in hun lampen te stoppen. De kwaliteit van het licht wordt toch nog altijd voor het grootste deel bepaald door de lichtkleur en de lichteigenschappen. De kleur van het licht is niet goed of slecht, maar hangt ook af van het gebruik; bvb. zelfstandig of in combinatie met daglicht. De integratie van een verlichtingsproject kan men grosso modo onderverdelen in drie punten:
- Een bouwkundige integratie
- Een bouwfysische integratie
- Een elektrotechnische integratie.
Bij een bouwfysische integratie dient men bvb. rekening te houden met de luchtvochtigheid en temperaturen in het gebouw. In een gebouw zonder airconditioning zal men het verlichtingsvermogen niet te hoog mogen opdrijven, want sommige lampen zijn nog steeds, min of meer, temperatuurgevoelig, zodat luchtafzuiging soms noodzakelijk kan zijn. Wat de elektrotechnische integratie betreft, kan bvb. gedacht worden aan gebouwenautomatisering. Met het naar plaats en tijd aandoen van de verlichting, eventueel gekoppeld aan de sterkte van het buitenlicht of aan de aanwezigheid van klanten en/of werknemers op iedere werkplek, kan het aantal uren dat de verlichting brandt – en daaraan gekoppeld het verbruik – beheersen.
Functionele eisen
Voor een nuchtere afweging is een goed totaalbeeld nodig van wat men beoogt, en van de rendementen van de verschillende lichtbronnen. Belangrijk hierbij is zich niet te laten beïnvloeden door voorstanders van één bepaald type lamp. Op de eerste plaats moet men willen inzien dat men licht vooral moet gebruiken als één van de vele middelen die ons ter beschikking staan. Daarvoor kan het soms wel nodig zijn om in het gebouw zelf bijzondere voorzieningen aan te leggen, of om in overleg met zijn adviseur(s) die armaturen te laten ontwerpen die nodig zijn om de ruimte(s) op de juiste manier te verlichten. Deze manier van werken is misschien niet altijd de goedkoopste, maar uiteindelijk en heel stuk bevredigender dan het behelpen met niet aan de situatie passende armaturen.
Tot nu toe hebben we eigenlijk nog maar alleen de te verlichten ruimtes bekeken. Zoals reeds vermeld kunnen ook bepaalde door de architect gestelde eisen beperkingen aan de armatuurkeuze in het gebouw tot gevolg hebben. Zo kan deze uit esthetische overwegingen lichtlijnen in de lengterichting van het gebouw wensen, omdat de verlichte ruimte ’s avonds – van buitenaf gezien - beter tot zijn recht komt. Men mag ook niet vergeten dat een te sterke verlichting – bvb met halogeenlampen - een te verblindend licht kan geven op een te kleine oppervlakte. Daardoor wordt de rest van de ruimte ogenschijnlijk donkerder gemaakt. Zwakstroom lichtbronnen zijn voortreffelijk als het gaat om accentverlichting, maar absoluut onbruikbaar als het gaat om ruimteverlichting.
Kosten/Baten
Het komt vaak voor dat een bouwheer alleen het allerbeste verlichtingssysteem eist, maar daarbij niet beseft tegen welke hoge kosten dat te realiseren is. Hoe gewoontjes het ook moge klinken, het zijn toch nog altijd de kosten die bepalend zullen zijn voor de uiteindelijke keuze. Men zal dus altijd berekeningen moeten maken om de uiteindelijke definitieve keuze te kunnen bepalen. Van iedere oplossing zal men moeten berekenen wat de aanschafkosten zijn, hoeveel het energieverbruik zal zijn, hoeveel onderhoudskosten het gekozen systeem vergt, enz.
Men kan hier dus niet alleen uitgaan van de aanschafkosten, want in vele gevallen kunnen de kosten voor het handhaven van een bepaald verlichtingssysteem even hoog zijn als de aanschafprijs.
Het is moeilijk hierbij besluiten in het algemeen te geven, want zelfs het verschil tussen dure en goedkopere lampen/armaturen kan verschillen van fabrikant tot fabrikant. Men moet ook opletten in hoeverre de tarieven van de elektriciteitsmaatschappijen van invloed kunnen zijn op de definitieve keuze, enz.
Eenvoudig gezegd kan men zich het beste afvragen: "als ik de goedkoopste oplossing kies van mijn lijstje, mis ik dan iets wezenlijks?"
Zo zou men kunnen denken aan een vrij bedenkelijke kleurweergave bij een goedkoop systeem, terwijl de rest van de inrichting zo nauwkeurig op kleur geselecteerd is. M.a.w., men is hier dus eigenlijk bezig met een kosten/baten analyse. Twijfelt men echter niet meer aan een gekozen oplossing, dan is de definitieve systeemkeuze een feit.
Tenslotte
Op een onlangs gehouden verlichtingssymposium in Zweden, gaf de organisator zijn gehoor een aantal eenvoudige vuistregels mee, die naar zijn zeggen richting kunnen geven aan het denken over licht in een zo vroeg mogelijk stadium.
1. Licht moet natuurlijk functioneel zijn. Dat kan door het licht dààr te brengen waar het echt nodig is. Hoe dichter de lichtbron bij het doel waarvoor het moet dienen, hoe kleiner het vermogen kan zijn en hoe sterker de reflectie van het licht meewerkt aan de kwaliteitsverbetering van het lichtklimaat.
2. Om licht functioneel te kunnen gebruiken dient ervoor gezorgd dat de opstelling zo flexibel mogelijk is. Reden waarom in een ruimte overal voeding voor licht aanwezig dient te zijn. Niet alleen om de architect, maar ook om de gebruiker de mogelijkheid te bieden het licht als interieurcomponent te kunnen manipuleren.
3. Voorkom té grote oppervlaktehelderheden. Er mag in geen geval sprake zijn van onafgeschermde lichtbronnen of sterk stralende oppervlakken, met een zodanig sterke overstraling dat de ruimte zelf te donker lijkt. Daardoor ontstaat de neiging om nog méér licht te gaan gebruiken.
4. Een ideale samenwerking tussen allen die bij de realisering van de bouwplannen betrokken zijn. Dat houdt in dat de visie van de architect en ontwerper in het prilste stadium door de lichtadviseur begrepen dient te worden, om deze vervolgens uit te werken en te vertalen naar de elektrotechnici toe. Op hun beurt kunnen zij dan plannen en berekeningen maken die in overeenstemming zijn met het beoogde resultaat.
Tenslotte sprak de spreker als zijn vaste overtuiging uit, dat bovengenoemde vuistregels het niet alleen mogelijk maken om een kwalitatief goed lichtplan te ontwerpen, maar ditzelfde lichtplan tevens energiezuinig zal blijken te zijn.
Hubert Lahaut
De la lumière dans les idées
Un jeu des forces
L’évolution des techniques de productions permet à l’heure actuelle de fabriquer des systèmes d’éclairage qui n’éclairent pas seulement plus et mieux mais qui sont également plus esthétiques. Les fabricants ont fait des efforts en ce sens en recourant aux services de designers talentueux pour créer des appareils qui combinent technique et esthétique.
Le grand mérite de cette évolution ne re
vient pas uniquement aux fabricants de luminaires mais aussi aux fabricants de lampes, qui parviennent à en produire de moins en moins tout en créant de plus en plus de lumière. Les appareils d’éclairages proposés par les fabricants réunissent intelligemment les avantages des différentes sources. De cette manière, l’architecte et/ou le spécialiste de l’éclairage qui essaye d’obtenir une esthétique et un éclairage efficaces peut amener la lumière là où elle est nécessaire. A cette fin, il peut s’appuyer sur un véritable «tunnel de lumière» pour appliquer différentes techniques d’éclairage en fonction des desiderata du client. Ainsi, le spécialiste de l’éclairage joue sur deux tableaux: il éclaire le cadre de travail ou de vie et en même temps, il crée avec la lumière une ambiance qui met en valeur les qualités architecturales de l’ensemble et fait naître une ambiance agréable et propice au déroulement des différentes activités. La présentation et l’éclairage architectural qui sont utilisés dans les différents projets doivent être considérés sous différents points. Chacun de ces points pose une nouvelle exigence à l’installation d’éclairage et c’est au spécialiste en éclairage à trouver une solution. En d’autres termes, le système d’éclairage doit faire l’objet d’un choix précis, en tenant compte des objectifs et des tâches spécifiques de l’utilisateur. On se trompe encore trop souvent en considérant que l’éclairage «architectural» est synonyme d’utilisation de beaux luminaires et autres spots qui, entre autres, procurent de la lumière. En réalité, tous les luminaires et autres points de lumière, même les plus fonctionnels, doivent avoir un but précis: ils doivent conférer un impact visuel à notre environnement de travail. Dans le cadre des travaux d’approche d’un projet d’éclairage, il ne faut donc pas se contenter d’observer le plan des différents espaces à éclairer mais il faut tâcher de se placer dans la situation, sur place. Pour aborder un projet d’éclairage de manière optimale, il convient d’aller un peu plus loin que de se borner à dire: «si possible beaucoup de lux avec cette lampe-ci et celle-là». Tout le monde devrait se baser sur un schéma établi à l’avance, quelles que soient la forme et l’envergure de l’installation d’éclairage. La phase de développement est celle où toutes les possibilités sont encore ouvertes. C’est uniquement à ce moment-là que l’architecte ou le spécialiste en éclairage peut encore adapter la qualité ou le système d’éclairage. Ces deux facteurs sont en effet capitaux dans l’élaboration du climat d’éclairage du projet et il peut être bon de se poser les questions suivantes:
- Quelles sont les possibilités techniques à notre disposition ?
- De quelle liberté disposons-nous lors de l’aménagement ?
- Comment se représenter l’atmosphère d’utilisation des pièces ou du bâtiment ?
Eclairage architectural: comment et quoi ?
Dans un certain sens, toute forme d’éclairage est architecturale et c’est certainement le cas quand on aborde le sujet de l’éclairage des bâtiments ou dans les bâtiments. L’adjectif «architectural» est utilisé dans son sens le plus large. Un bon éclairage sera (uniquement) obtenu s’il existe un esprit de collaboration étroite entre l’architecte, le conseiller en éclairage et l’utilisateur. Il faut également veiller à utiliser quelques règles simples. Pouvons-nous envisager l’éclairage sans l’architecture ? Les choses en seraient certainement facilitées mais ça ne correspond pas à la manière d’appréhender une pièce. Selon un institut suédois spécialisé dans l’étude de nos habitudes de travail et de vie, l’évaluation de l’espace doit tenir compte des huit points suivants: l’originalité, l’affectivité, le statut social, la puissance de la lumière/de l’éclairage, les espaces, l’uniformité , la complexité et la décoration. Quand on considère ces points d’un peu plus près, on constate l’absence de quelques facteurs typiques, liés à l’architecture ou aux techniques d’éclairage tels que le volume, les matériaux et les possibilités d’éclairage. Le fait que les différents composants de l’espace ne peuvent être évalués individuellement prouve bien qu’ils forment une unité. En d’autres termes, l’éclairage doit former une seule et même unité avec les autres éléments de l’espace. Faut-il maintenant considérer un par un toutes les pièces d’un bâtiment utilitaire et y adapter à chaque fois l’éclairage ? C’est sans doute la méthode idéale mais c’est aussi la plus difficile. Pour l’adopter, il faut pouvoir disposer de certaines informations dont on ne peut être sûr à l’avance (comment, en effet, évaluer les facteurs de réflexion quand les pièces n’ont pas encore été décorées ?). Il vaut mieux se concentrer sur les effets qui peuvent résulter de chaque installation fonctionnelle pour pouvoir ensuite – si c’est nécessaire – corriger d’éventuels défauts ou éléments dérangeants en faisant de simples adaptations. Il ne faut pas oublier qu’un espace éclairé par plusieurs sources de lumière adoptera toujours une forme bien déterminée. Ces diverses répétitions de formes constituent ensemble un groupe qui formera à son tour un ensemble homogène si on ne laisse rien au hasard. Les zones à éclairer doivent être abordées comme des formes matérielles et elles doivent être ordonnées en tenant compte des «rythmes» du style de la construction. On voit ici à quel point la collaboration entre l’architecte et l’éclairagiste est capitale. Il est donc conseillé à ce dernier d’adopter la même échelle que l’architecte lors de la réalisation de ses plans. Dans un intérieur où la décoration et/ou l’ameublement jouent un rôle important (en principe, c’est toujours le cas), l’emplacement des sources de lumière doit être déterminé de la manière la plus précise possible (à 15cm près). Un bon résultat est toujours le fruit d’une collaboration efficace entre les différents acteurs.
Les exigences générales de l’utilisateur
On éclaire un environnement et/ou un produit afin qu’il soient visibles d’une manière optimale et que l’on puisse travailler de manière idéale. Il est donc important dans tout projet d’éclairage de réaliser une analyse de la tâche visuelle avant d’entamer les travaux : qui doit être en mesure de voir quoi. Il faut analyser la grandeur, les couleurs et le contraste de ce qui doit être visible: autant d’aspects qui doivent contribuer à nous donner une bonne vue. Après cette analyse se pose automatiquement la question suivante: «S’agit-il d’un éclairage d’ambiance ou d’un lieu de travail, d’un éclairage dirigé ou d’un éclairage de surfaces importantes» ? Le regard doit alors faire une analyse ergonomique, une adaptation à la situation. Il s’agit ici de faire une différence entre la rénovation et la nouvelle construction. Dans le premier cas, le regard est plus critique car il a déjà une certaine expérience avec le bâtiment et ses différentes pièces qui sont déjà connus. Ce n’est pas le cas dans une nouvelle construction puisqu’il faut encore attendre les résultats. Il arrive encore trop souvent que les premières étapes du projet d’éclairage soient bâclées alors qu’elles sont très importantes. La formulation claire dès le départ des exigences artistiques en matière d’éclairage facilite grandement la recherche de luminaires bien adaptés par la suite. Il n’est plus nécessaire de faire des essais et il suffit d’opérer un choix au sein d’un assortiment de luminaires qui a été défini auparavant. Combien de fois ne commande-t-on pas de (beaux) luminaires sans avoir défini précisément les exigences ? Une spécification en matière de continuité de niveau d’éclairage, de rapports de luminescence et de prévention d’aveuglement est très importante, pas seulement pour la valeur d’utilisation mais aussi parce que c’est la première décision en matière de coûts. Il ne faut pas oublier que le fait de choisir une puissance de 500lux ou d’opter pour un meilleur rendement des couleurs entraîne également d’une hausse de prix. Les exigences générales de l’utilisateurs sont parfois plus spécifiques que ce que l’on croit. C’est également le cas avec le champ d’application: quelle est la fonction du bâtiment ? Quelle est la nature de l’ambiance qui doit être créée par l’éclairage ? On aura moins tendance à travailler avec des nombres réalistes dans le plan d’éclairage pour des bâtiments qui sont destinés à vendre des produits ou des services que dans le cas de bureaux, par ex. Une certaine approche intuitive doit également intervenir en fonction de l’objectif, même s’il ne faut pas exagérer son rôle. L’art dans la lumière ne doit pas être figé. Bien au contraire : il doit être flexible et malléable. Il ne faut pas oublier que la lumière ne doit pas seulement être émotionnelle mais qu’elle constitue également le moyen par excellence. Parfois on choisira donc des lampes qui donnent une impression plus flatteuse de manière à ce que l’éclairage ne soit pas uniquement évalué sur base d’exigences rationnelles.
Intégration
Une partie de la lumière doit être intégrée dans le bâtiment même sans qu’il faille pour autant penser à y installer un nombre important de prises de courant. Le terme «intégrer» ne doit pas seulement être traduit par le terme «encastrer». Pourquoi utiliser les plafonds comme une sorte de voie de la moindre résistance ? Un système à encastrer peut présenter plus de réflecteurs qu’un autre alors que les fabricants font de leur mieux pour augmenter au maximum le rendement lumineux de leurs lampes. La qualité de la lumière est essentiellement fonction de sa couleur et de ses propriétés. On ne peut pas dire que la couleur d’une lampe est bonne ou mauvaise; tout dépend de son utilisation, suivant qu’on l’utilise de manière indépendante ou en combinaison avec la lumière du jour.
On peut diviser l’intégration d’un projet d’éclairage en trois parties:
- une intégration architecturale
- une intégration physique dans la construction
- une intégration électrotechnique
Pour le second aspect, il faut tenir compte de l’humidité de l’air et des températures dans le bâtiment. Dans un bâtiment sans air conditionné, il faut veiller à ne pas utiliser des sources de lumière trop puissantes car certaines lampes peuvent être plus ou moins sensibles aux températures de telle sorte que l’évacuation d’air est parfois nécessaire. En ce qui concerne l’intégration électrotechnique, on peut par exemple penser à l’automation du bâtiment. Déclencher l’éclairage en fonction de l’heure et de l’endroit et en reliant cette fonction à la puissance de la lumière à l’extérieur en fonction de la présence de clients et/ou de travailleurs à des endroits déterminés: autant de facteurs qui permettent de maîtriser la consommation en électricité.
Les exigences fonctionnelles
Afin de faire une évaluation réaliste, il est nécessaire d’avoir une vue d’ensemble de l’objectif poursuivi ainsi que des rendements des différentes sources de lumière. A ce sujet, il est important de ne pas se laisser influencer par les partisans d’un type déterminé de lampes. Dans un premier temps, il faut pouvoir considérer que l’on utilise la lumière comme un des nombreux moyens qui sont à notre disposition. Il peut parfois être utile de prévoir des aménagements particuliers au sein du bâtiment ou , d’un commun accord avec le spécialiste en éclairage, de faire développer des luminaires spéciaux, destinés à éclairer les espaces de la manière la plus judicieuse. Il est vrai que cette manière de travailler n’est pas toujours la moins onéreuse mais elle est finalement beaucoup plus satisfaisante que celle qui consiste à travailler avec des luminaires qui ne conviennent pas tout à fait à la situation. Jusqu’à présent, nous nous sommes uniquement intéressés aux espaces à éclairer. Cependant, comme on l’a déjà signalé, des exigences particulières de l’architecte peuvent également entraîner une restriction dans le choix des luminaires pour le bâtiment. Ainsi, le souci esthétique peut entraîner la prescription de bandes de lumières sur toute la longueur du bâtiment parce que c’est du plus bel effet - vu de l’extérieur - quand le bâtiment est éclairé le soir. Il ne faut pas oublier qu’un éclairage trop puissant - avec des lampes halogènes, par ex.- sur une surface trop petite peut provoquer des sensations d’éblouissement. De plus, le reste de la pièce en est assombri. Les sources de lumières de faible intensité sont efficaces pour souligner certains éléments mais elles sont absolument inutilisables quand il s’agit d’éclairer des espaces.
Les coûts/profits
Il arrive souvent qu’un architecte exige le meilleur des systèmes d’éclairage sans se rendre compte des coûts que cela entraîne. Cela peut paraître banal mais en fin de compte, le budget disponible guide le choix. Avant d’arrêter un choix définitif, il est donc nécessaire de faire des calculs. Chaque solution fera l’objet d’une évaluation des prix : prix d’achat, coût énergétique, frais d’entretien,… Il ne faut pas uniquement tenir compte du prix d’achat car dans bien des cas, les frais découlant de l’entretien du système peuvent égaler le prix d’achat. Difficile de formuler une ligne de conduite générale à cet égard, car même la différence entre les luminaires chers et bon marché peut varier d’un fabriquant à l’autre. Même les tarifs des compagnies d’électricité peuvent influencer le choix final. Il faut tout simplement se poser la question suivante: «Est-ce que je risque de passer à côté d’un aspect essentiel en optant pour la solution la moins chère de ma liste ?» On peut imaginer un rendement des couleurs plutôt discutable dans le cas d’un système bon marché, ce qui serait dommage si le reste de l’infrastructure a été sélectionné en fonction des couleurs. Bref, une analyse de la rentabilité s’impose. Lorsque le dernier doute a été enlevé, plus rien ne s’oppose à un choix définitif.
Conclusion
A l’occasion d’un colloque sur l’éclairage qui s’est tenu récemment en Suède, l’organisateur a cité quelques règles simples qui peuvent, selon lui, orienter la réflexion sur l’éclairage dès les premiers stades du développement:
1. La lumière doit naturellement être fonctionnelle ; elle doit se trouver là où elle est vraiment nécessaire. Plus proche sera la source de lumière de son objectif, plus petite sera la puissance et plus forte sera la contribution de la réflexion de la source de lumière sur l’amélioration de la qualité de l’ambiance lumineuse.
2. Afin de pouvoir utiliser la lumière de manière fonctionnelle, il faut veiller à ce que la disposition soit la plus flexible possible. C’est la raison pour laquelle la pièce doit présenter de nombreuses sources d’alimentation pour la lumière. L’architecte et l’utilisateur ont ainsi la possibilité de manipuler la lumière qui devient une partie constituante de l’intérieur.
3. Il faut éviter de trop grandes surfaces de clarté. Pas question d’utiliser des sources de lumière non protégées ou des surfaces fortement brillantes avec un rayonnement à ce point intense que l’espace lui-même semble être trop sombre et qu’il incite à utiliser encore plus de lumière.
4. Il faut assurer une collaboration idéale entre les différents acteurs impliqués dans la réalisation des plans de construction. Concrètement, la vision de l’architecte doit être claire dès le départ pour le spécialiste en éclairage afin qu’il puisse ensuite la développer et l’expliquer aux techniciens en électronique qui pourront, à leur tour, établir des plans et des calculs correspondant à l’objectif fixé.
En conclusion, l’orateur a expliqué qu’il était convaincu que les quelques règles de base citées ci-dessus permettaient d’établir un plan d’éclairage de bonne qualité et économique à l’usage.
Hubert Lahaut