Carrièreplanning
Technicus of Manager?

version française

Moet u zich in uw loopbaanplanning in de eerste plaats profileren als manager of als technicus? De vraag is pertinent en stelt veel ingenieurs en onderhoudsverantwoordelijken voor een dilemma. Als er moet gekozen worden, kies dan … beide!

De afgelopen dertig jaar zijn de functies van de onderhouds- en productieverantwoordelijke sterk geëvolueerd. Nemen we het voorbeeld van de maintenanceverantwoordelijke. In 1970 (zie schema A) verlangde de directie van hem dat hij in de eerste plaats ‘een goede technieker’ zou zijn.

Dat betekende destijds heel wat anders dan de technische vaardigheden die vandaag van een onderhoudstechnieker gevraagd worden. Zoals het schema laat zien, ging de ontwikkeling van de technische vaardigheden dertig jaar geleden veel minder snel dan vandaag het geval is. Van de onderhoudsverantwoordelijke werd voor alles verwacht dat hij een uitstekende reactiviteit zou tentoon spreiden op problemen en dat hij de onderhoudsafdeling in het blikveld van de bedrijfstop zou brengen. Het was de tijd van de heldhaftige veldslagen tegen technische pannes en andere onhebbelijkheden van de productieapparaat.

Inhaalmanoeuvre
Gelukkig hebben sindsdien concepten zoals TPM (Total Productive Maintenance), RBM (Risk Based Maintenance) of RCM (Reliability Centered Maintenance) hun intrede gedaan in de onderhoudsarena. Vandaag evolueren de managementvaardigheden sneller dan in 1970, zonder evenwel eenzelfde ontwikkelingsritme te bereiken als de technische competentie. De reden hiervoor is eenvoudig: de hypersnelle technologische ontwikkelingen van de laatste decennia hebben de onderhoudsverantwoordelijke quasi gedwongen zich vooral op de technische dimensie van hun functie te concentreren, en minder op managementvaardigheden. Op het vlak van bedrijfszekerheid, diagnosetechnieken en conceptuele ontwerp van productie-infrastructuren, is zonder meer een enorme vooruitgang geboekt. Op de drempel van 2005-2010 lijkt het logisch dat er een inhaalbeweging komt vanuit de managementhoek om een ontwikkelingsritme te bereiken dat het technologische evenaart. Deze uitdaging is tweeërlei. Enerzijds de inhaalbeweging, maar anderzijds ook de ontwikkeling van managementtechnieken op onderhoudsgebied op dezelfde kruissnelheid brengen als die van de technologie.
Welk voordeel kan de verantwoordelijke voor onderhoud of maintenance manager hierbij hebben? Hoe kan de dubbele ontwikkeling van technische en managementvaardigheden een toegevoegde waarde creëren voor de onderneming? Want daarom gaat het aan de eindstreep. De basisfunctie van de onderhoudsverantwoordelijke – of de volledige onderhoudsafdeling – bestaat er ten gronde in een zo efficiënt mogelijke bijdrage te leveren aan de globale performantie van de onderneming. Om het belang van deze dubbele ontwikkeling te illustreren, moet men zich realiseren dat ‘techniek’ en ‘management’ twee verschillende hefbomen zijn om een betere globale bedrijfsperformantie te bereiken.
Het bovenste deel van Schema B stelt de ontwikkeling van de technische competentie van de onderhoudsverantwoordelijken sinds 30 jaar voor. Het onderste gedeelte stelt de evolutie in dezelfde periode voor van de managementvaardigheden. Beide zijn geëvolueerd, maar duidelijk niet aan eenzelfde ritme.

Economische meerwaarde
Wat zou bijvoorbeeld de economische meerwaarde kunnen zijn indien men er in slaagt managementvaardigheden even snel als technische vaardigheden te ontwikkelen? Schema C projecteert de evolutie van deze dubbele evolutie naar het jaar 2010 toe, inclusief het huidige ontwikkelingsritme. De twee op deze manier verkregen vlakken vertegenwoordigen de meerwaarde die een onderneming ontvangt , op historische basis en bij een gelijkwaardige ontwikkeling. Het verschil tussen bij vlakken (blauwe zone) vertegenwoordigt de toegevoegde waarde voor een onderneming door het inhaalmanoeuvre van de managementvaardigheden. Beide economische waarden zijn complementair. Ze overlappen elkaar niet en heffen elkaar niet op. Toch is er een wederzijdse beïnvloeding: in bepaalde gevallen kunnen slechte technische of managementbeslissingen de economische waarde, gecreëerd door de andere dimensie, aantasten of zelfs teniet doen. De gevolgen van deze situatie zijn geïllustreerd in Schema D. Foutieve beslissingen vanwege het management zouden kunnen zijn: de reële uitvoering van wekelijkse programma’s voor preventief onderhoud niet of onvoldoende opvolgen/controleren, onvoldoende lessen trekken uit deze programma’s of zich te laat realiseren dat een investering, het nec plus ultra van technologisch vernuft, in panne gevallen is of zich niet vertaalt naar de vooropgestelde productievolumes of bezettingsgraden. In deze voorbeelden zal de potentiële economische waarde, de vrucht van de excellente competentie van de betrokken technische mensen, ten dele teniet gedaan worden door onaangepast management. En welk bedrijf durft beweren dat zij dit type situaties nog nooit is tegengekomen? Een onderneming heeft er daarom alle belang bij deze economische hefbomen te ondersteunen en ontwikkelen door zowel op technisch als beheersmatig vlak haar mensen ontwikkelingskansen te bieden.

Persoonlijke ontwikkeling
Deze ontwikkelingskansen moeten aan alle bedrijfsniveaus gegeven worden. Is het ook nodig aan alle bedrijfsechelons dezelfde technische en managementopleidingen te geven? Het antwoord op deze vraag is negatief. Om het in uitersten te stellen: van een technieker op het terrein wordt duidelijk in eerste instantie technische competentie geëist, een algemeen directeur moet zijn bedrijf ‘sturen’ en beheren. Bij een algemeen directeur ligt het zwaartepunt bij zijn managementkwaliteiten. Maar om het potentieel aan economische meerwaarden volledig te benutten, moeten zowel de technicus als de algemeen directeur een minimum van de andere vaardigheden beheersen. Een voorbeeld: indien de technieker zijn tijdsbesteding of zijn stock aan wisselstukken slecht of niet optimaal kan beheren, of indien hij de operationele performatie-indicatoren niet juist kan interpreteren, kan hij beslissingen nemen die contraproductief zijn voor zijn onderneming. Een voorraad die niet in evenwicht is met de vraag, genereert inert kapitaal. Een slecht tijdsbeheer leidt tot een lagere productiviteit. Hetzelfde geldt voor de bedrijfstop: een algemeen directeur die geen enkele technische competentie of kennis bezit van wat zijn bedrijf produceert, zal onvermijdelijk beslissingen moeten nemen zonder zich ten volle van de implicaties op de productie bewust te zijn. De economische meerwaarde die hij aan de ene zijde creëert door een uitstekend manager te zijn, maakt hij ten dele ongedaan door slechte technische keuzen. Het omgekeerde kan ook waar zijn: de algemene directie kan de juiste technische beslissingen nemen, waarvan de resultaten in termen van gecreëerde economische waarde worden gekortwiekt door foutieve managementbeslissingen. Een recente illustratie hiervan is te vinden bij bepaalde Europese telefoonoperatoren. Zij hebben zich te laat gerealiseerd dat de meerwaarde van de invoering van nieuwe technologie in belangrijke mate ondergraven werden door een te hoge schuldenlast.

Het ideale traject
Hoe ziet het ideale traject er uit voor de persoonlijke ontwikkeling van technische vaardigheden en managementkwaliteiten in de loop van uw professionele loopbaan? Bekijken we Schema E. Dit diagram telt vijf opeenvolgende fazen, waarvan elk een stadium in de loopbaanontwikkeling van een ingenieur voorstelt. Hij of zij begint zijn carrière als technicus en bekroont ze als algemeen directeur van een business unit of een industriegroep.

Fase 1.
De jonge ingenieur zet zijn eerste stappen in zijn professionele loopbaan. Hij moet zich vooral laten accepteren en respecteren door zijn gelijken. Zijn opdrachten zijn in hoofdzaak technisch van aard. Hij moet zich daarom bewijzen op technisch vlak. De techniek alleen volstaat niet. Hij dient zich ook te profileren als toekomstig of potentieel manager. Zijn technische opdrachten, hoe goed hij ze ook uitvoert op technische vlak, eisen al snel van hem dat hij ook zijn managementtalenten ontwikkelt en bijschaaft. Management van werkgroepen, voorzitten van vergaderingen, constructieve confrontatie van werk- en technische hypotheses, het zijn enkele voorbeelden van typische managementvaardigheden die hij zich snel eigen maakt.

Fase 2.
Na een relatief korte periode als louter technicus - of een langere periode afhankelijk van het ontwikkelingspotentieel van elk individu – en de door het wispelturige leven geboden opportuniteiten, wordt de ingenieur gevraagd de verantwoordelijkheid over een zone, sector, project of team van techniekers op zich te nemen. De erkenning door zijn gelijken van zijn uitstekende technische kwaliteiten en van zijn potentieel als manager, laten hem toe de overstap te maken naar dit eerste niveau van supervisie. Hij moet onmiddellijk zijn managementvaardigheden verder uitbouwen, en het moet snel gaan. Nu zijn technische vaardigheden bewezen zijn, maakt hij werk van de kwaliteiten op managementniveau. In deze periode ontdekt hij zijn eigen, persoonlijke managementstijl, en geeft hij zich rekenschap van zijn eigen sterke en zwakke kanten om zijn loopbaan verder uit te bouwen. Hij kan zich geen vertragingen veroorloven: aan de deur van zijn onderneming kloppen ettelijke gedreven ingenieurs met dezelfde motivatie en carrièreplanning. Voor sommigen zal dit het eindstadium zijn van hun persoonlijke ontwikkeling. Voor anderen is het slechts een tussenstap. Deze laatsten zullen hun potentieel nooit ontdekken indien hun bedrijf hen onvoldoende kansen geeft. Bij gebrek aan opportuniteiten zullen zij op zoek gaan naar een andere werkgever die hen wel de mogelijkheid geeft te ontdekken of zij hun carrière al dan niet verder kunnen ontplooien.

Fase 3.
Onze ingenieur neemt hoe langer hoe meer verantwoordelijkheden op zich. Nog steeds moet hij zich constant bewijzen als manager, maar tegelijkertijd ook zijn technisch kunnen continu bijschaven om niet achterhaald te worden door de snelle technologische evolutie. Elke groeistap als manager vertaalt zich voor zijn onderneming automatisch in meer en meer economische waarde. Zij die er niet in slagen om hun managementvaardigheden stapsgewijs verder te laten groeien, bijvoorbeeld door privé- of andere externe omstandigheden of door onaangepaste opleidingsprogramma’s in het bedrijf – zullen automatisch minder goede beslissingen nemen. Of zij zullen er niet in slagen het ontwikkelingspotentieel van hun team te volle te ontplooien.
Dit laatste vertaalt zich onvermijdelijk in de vernietiging van economische waarde in de onderneming. Indien de bedrijfstop over precieze boordtabellen beschikt om de juiste oorzaken van deze waardevernietiging te identifiëren, zal zij de zeer terechte en logische beslissing nemen aan deze ingenieurs verantwoordelijkheden toe te vertrouwen die minder kritisch zijn voor de creatie of destructie van economische waarde. In dit derde stadium draagt de ingenieur zelf een grote verantwoordelijkheid om zijn medewerkers te assisteren in de uitbouw van hun technische en beheersmatige competentie: op langere termijn zullen beloftevolle medewerkers bepalend zijn voor de creatie van toegevoegde waarde voor de onderneming. Deze rol van ‘ontwikkelaar van talent’ kan en mag niet uitsluitend aan de human resources-afdeling van de onderneming toevertrouwd worden. Integendeel, op elk niveau dient iedereen er in te investeren.

Fase 4 en 5.
Deze twee fazen kenmerken zich, zoals fase 2 en 3, door grote en snelle sprongen voorwaarts in managementvaardigheden. Ze wijken op een belangrijk punt af van de twee voorgaande stadia: in zeer bepaalde gevallen mag het ontwikkelingsritme op technisch vlak verminderen ten voordele van hun managementcarrière. Dit, zonder dat de totaliteit van waardecreatie van het individu in kwestie voor de onderneming in het gedrang komt. Inderdaad, één van de managementkwaliteiten van wie dit verantwoordelijkheidsniveau bereikt heeft, is dat hij of zij zich weet te omringen met technisch zeer onderlegde assistenten. Dit plaatst onze ingenieur in de riante positie dat hij nog meer energie kan besteden aan zijn ontplooiing als manager en zo nog meer economische waarde kan creëren. Algemene directeurs die zich daarentegen omringen met toegewijde maar niet echt competente medewerkers, brengen op halflange termijn de creatie van waarde voor hun onderneming in gevaar. Dit kan typisch gebeuren wanneer een manager in een nieuw bedrijf de functie van algemeen directeur op zich neemt, en hij dus ook onmiddellijk op een directieteam moet terugvallen om hem te ondersteunen in zijn opdracht.

Conclusie
Onze ingenieur diende zich in de eerste helft van zijn loopbaanplanning vooral toe te leggen op het ontwikkelen van zijn technisch kunnen, om het respect en de erkenning van zijn gelijken te verdienen. Toch werd hij snel geconfronteerd met beslissingen die managementkwaliteiten veronderstelden. In het perspectief van een carrièreplanning op halflange en lange termijn, moest hij zowel zijn competentie op technisch als managementvlak verhogen. Ook de onderneming als totaliteit draagt een grote verantwoordelijkheid: zij moet de nodige opportuniteiten geven aan haar personeel als geheel om beide competenties te ontwikkelen. Voor een onderneming is dit de enige weg om elk individu tot volle ontplooiing te laten komen en zo de volle potentie te plukken van de capaciteiten en talenten van elk individu. Capaciteiten die zich automatisch zullen vertalen in de creatie van toegevoegde, economische meerwaarde voor de onderneming.
Renaud Cuignet, Renaud Cuignet Management

L’ingénieur:
Technicien ou Manager?


S’affirmer comme Technicien, ou s’affirmer comme Manager ? Une question souvent posée comme un dilemme pour beaucoup d’ingénieurs responsables de maintenance et de production. Pourtant, entre les deux, mieux vaut choisir … les deux !

Au cours des 30 dernières années, les rôles du responsable de maintenance et du responsable de production ont fortement évolué. Prenons l’exemple du responsable de maintenance. Comme indiqué dans le schéma A, la Direction de l’entreprise lui demandait à l’époque d’être avant tout un excellent technicien. La signification de ces termes, excellent technicien, ne couvrait alors qu’une partie des compétences techniques qui caractérisent nos excellents techniciens d’aujourd’hui. Bref, comme indiqué sur le schéma, en 1970 la valeur de l’abscisse, qui représente le taux de développement des compétences techniques des ingénieurs responsables de maintenance, était moins forte qu’en 2002. On demandait en effet au responsable de maintenance d’avoir avant tout une réactivité de premier ordre et de faire en sorte que l’on entende parler de la maintenance dans les hautes sphères de l’entreprise. C’était l’époque de l’héroïsme face aux pannes et autres ennuis techniques.

Taux de développement
Bien heureusement, des concepts comme la TPM (Total Productive Maintenance), la RBM (Risk Based Maintenance) ou la RCM (Reliability Centered Maintenance) ont fait leur apparition, et aujourd’hui les compétences en management ont progressé plus rapidement qu’en 1970, sans toutefois rattraper encore le taux de développement atteint entre temps par les compétences techniques. Les formidables avancées technologiques que l’on a connu au cours des dernières décennies ont incité les responsables de maintenance à se concentrer beaucoup plus sur la dimension technique de leur métier et moins sur la dimension management. Des progrès très importants ont ainsi été réalisés en matière de fiabilité, de diagnostic et de conception des outils de production. A l’horizon 2005 - 2010, on peut maintenant penser que le challenge que doivent relever les responsables de maintenance et de production consiste à donner à leurs compétences en management un taux de développement identique à celui de leurs compétences techniques. Ce challenge est double. Il s’agit non seulement de rattraper l’avance prise par les compétences techniques, mais de donner à leurs compétences en management la même vitesse de croisière. Quels bénéfices peuvent-ils en tirer ? En quoi ce double développement des compétences techniques et des compétences en management peut-il les aider à créer plus de valeur pour leur entreprise ? Car la question est bien là ! En tant que responsables, leur mission consiste à contribuer activement et le plus efficacement possible aux performances économiques globales de leur entreprise. Pour comprendre l’intérêt de ce double développement, il convient de considérer que Technique et Management sont deux leviers complémentaires de performance. Prenons des exemples. La partie supérieure du schéma B représente le développement des compétences techniques des responsables de maintenance depuis trente ans. L’aire comprise entre la courbe et l’abscisse représente la valeur économique créée pour l’entreprise au cours de ces années. La partie inférieure du schéma B représente l’évolution pendant cette même période des compétences en management. Elles ont progressé également, mais à un rythme inférieur. Quelle pourrait être la valeur économique supplémentaire que l’on pourrait obtenir si l’on parvient dans l’avenir à développer les compétences en management au même rythme que les compétences techniques ? Le schéma C projette à l’horizon 2010 l’évolution de ces doubles compétences, à leur rythme actuel d’une part, et en alignant le taux de développement des compétences en management sur celui des compétences techniques d’autre part. Les deux aires ainsi obtenues représentent la valeur économique créée pour l’entreprise par ces progrès en Technique et en Management, à leur rythme historique respectif, et à rythme équivalent. La différence entre ces deux aires équivaut à la création de valeur supplémentaire issue du rattrapage des compétences en management. Ces deux valeurs économiques créées sont complémentaires. Elles ne se superposent pas et ne s’annulent pas. Toutefois, dans certains cas, de mauvais choix techniques ou de mauvaises décisions de management peuvent annuler la valeur économique créée par l’autre dimension. Une telle destruction de valeur est illustrée par le schéma D. Une mauvaise décision de management pourrait être de ne pas mesurer le taux de réalisation des programmes hebdomadaires de maintenance préventive, de ne pas dès lors cerner les dérives d’application de ces programmes dès qu’elles se présentent et de s’apercevoir trop tard que ce nouvel investissement, fleuron de la technologie actuelle, est tombé en panne, ou ne produit plus à la cadence optimale. Dans ce cas précis, le potentiel de création de valeur de cet investissement, fruit des excellentes compétences techniques des ingénieurs concernés, est en partie annulé par des pratiques de management inadaptées. Quelle entreprise n’a pas connu ce genre de situation ? Dès lors, être capable de faire progresser aussi vite et aussi efficacement les compétences en management que les compétences techniques constitue un levier de progrès extraordinaire pour toutes les entreprises.

Développement personnel
Ces progrès en management doivent se faire à tous les échelons de l’entreprise. Mais dans le développement des compétences de chacun, doit-on assurer un développement égal des compétences techniques et de management ? La réponse est non, bien entendu. Pour prendre l’exemple de la maintenance, mais cette logique est applicable à toutes les fonctions de l’entreprise, il est clair que le technicien de terrain doit avoir avant tout d’excellentes compétences techniques. A l’opposé, les fonctions d’un directeur général consistent avant tout à piloter l’entreprise, c'est-à-dire la gérer. Ses compétences en management devront être alors fortement développées. Toutefois, pour libérer l’un et l’autre la totalité de leur potentiel de création de valeur pour leur entreprise, il est indispensable qu’ils aient développé un minimum la seconde compétence. Ainsi, si le technicien de terrain ne sait pas gérer son temps, ou son stock de pièces de rechange, ou ne sait pas interpréter les indicateurs qui mesurent ses performances opérationnelles, il peut être conduit à prendre des décisions contre-créatrices de valeur pour l’entreprise. Trop de stock par rapport au besoin, donc trop de trésorerie immobilisée. Trop de non-valeurs ajoutées dans l’organisation de son temps, donc des pertes de productivité. Autant d’éléments qui viennent amoindrir, et dans certains cas annuler, les sources techniques de profit qu’il génère par ailleurs pour son entreprise, qu’il s’agisse d’appareils d’économie d’énergie qu’il préconise en excellent technicien, ou d’innovations technologiques qui permettent de comprimer les coûts de production. De même, le directeur général qui n’a développé aucune compétence technique en rapport avec le métier de son entreprise sera forcément amené à faire des choix dont il ne maîtrisera pas totalement les conséquences sur la réalité des opérations. Et les créations de valeur qu’il produit d’un côté en excellent manager peuvent être amoindries ou annulées par de mauvais choix techniques. Il est possible de trouver aussi des situations inverses, où une direction générale a fait d’excellents choix techniques dont les effets en termes de création de valeur ont été laminés par des décisions de management inappropriées. Pour prendre des exemples économiques récents, c’est le cas de certains opérateurs téléphoniques européens qui se sont rendus compte trop tard que des décisions de management telles que des décisions d’endettement ont eu des effets négatifs plus importants que les gains obtenus par ailleurs par la mise en œuvre de nouvelles technologies.

Profil idéal
Quel est le profil idéal de développement des compétences techniques et de management tout au long du parcours professionnel ? Examinons le schéma E. Ce schéma est divisé en 5 phases, chacune représentant une étape d’un parcours professionnel d’un ingénieur qui commence sa carrière comme technicien et la termine comme directeur général d’une business unit ou d’un groupe industriel. Regardons ces phases une à une.

Phase I
C’est le début de la vie professionnelle. Le jeune ingénieur doit chercher avant tout à se faire accepter et à être reconnu par ses pairs. Ses premières missions seront surtout techniques. Il devra en conséquence faire ses premières preuves sur le plan technique. Mais la technique ne suffit pas. Il doit aussi s’affirmer en tant que futur manager ou manager potentiel. Ses missions techniques, aussi bien faites soient-elles sur le plan purement technique, lui demanderont rapidement de développer des talents de management. Management de groupes de travail, pilotage de réunions, confrontation constructive d’hypothèses techniques sont des exemples de compétences en management qu’il devra rapidement développer.

Phase II
Au bout d’une période de temps relativement courte, ou relativement longue selon le potentiel de développement intrinsèque de chaque individu, et selon aussi les opportunités que la vie a parfois le bonheur de présenter, le jeune ingénieur se voit alors demander de prendre la responsabilité d’une zone, d’un secteur, d’un projet ou d’un groupe de techniciens. La reconnaissance de ses compétences techniques et de son potentiel de manager par ses pairs lui permet d’accéder à ce premier niveau de supervision. Immédiatement, ses compétences en management devront se développer, et se développer rapidement. Reconnu en tant que technicien compétent, il doit être rapidement reconnu comme un manager compétent. C’est une période dans laquelle il va découvrir son propre style de management et devra prendre conscience de ses forces et de ses faiblesses de manager pour ajuster sa trajectoire. Il devra progresser d’autant plus rapidement qu’il aura intégré une entreprise de renom à la porte de laquelle se pressent beaucoup de jeunes ingénieurs tout aussi motivés que lui. Certains auront atteint à ce stade leur potentiel maximum de développement. D’autres pas encore. Mais ces derniers ne parviendront à découvrir ce potentiel que si leur entreprise leur en donne l’occasion. A défaut, les plus motivés chercheront à rejoindre une autre entreprise qui les mettra en situation de pouvoir identifier s’ils peuvent ou non encore progresser.

Phase III
Ces ingénieurs motivés prennent alors plus de responsabilités. Là encore, ils doivent faire leurs preuves en tant que manager, tout en continuant à développer leurs compétences techniques, ne fut-ce que pour être informés des dernières percées technologiques. Ces sauts successifs de leurs compétences de manager se traduisent automatiquement par des créations de valeur de plus en plus fortes pour leur entreprise. Ceux qui malheureusement sont amenés à régresser dans la qualité de leur management, par exemple suite à des événements personnels extérieurs à l’entreprise ou suite à une inadéquation des programmes de formation de leur entreprise, prennent de moins bonnes décisions ou ne libèrent plus suffisamment à leur tour le potentiel de progrès de leurs équipes. Et cela se traduit automatiquement par des destructions de valeur dans l’entreprise. Lorsque la direction générale de l’entreprise possède des tableaux de bord précis qui lui permettent d’identifier les sources exactes de ces destructions, elle décide de façon logique de confier à ces ingénieurs des responsabilités moins critiques au potentiel limité de création ou de destruction de valeur. Soulignons aussi que dans cette phase III, le rôle du responsable pour aider son propre personnel à développer ses compétences techniques et de management devient déterminant pour la création de valeur à long terme de l’entreprise. Ce rôle de « développeur de talents » ne doit pas être confié aux seules Ressources Humaines de l’entreprise. Au contraire, chacun à chaque niveau doit en être investi.

Phase IV et V
Ces phases nécessitent, comme les deux précédentes, des sauts rapides et importants des compétences en management. Ces deux phases présentent cependant une particularité par rapport aux phases II et III : elles peuvent supporter, dans des cas précis, des dégradations du taux de développement des compétences techniques sans diminuer pour autant la capacité totale de création de valeur du responsable concerné. En effet, une des qualités d’un manager ayant atteint ce niveau de responsabilité est de savoir s’entourer d’adjoints très compétents techniquement. Ce qui lui permet de consacrer encore plus d’énergie à développer ses compétences en management, et de créer ainsi encore plus de valeur. Par contre, le directeur général qui s’entoure de courtisans dévoués mais pas réellement compétents met en danger le potentiel de création de valeur de son entreprise à moyen terme. C’est ce qui peut arriver lorsqu’un manager prend de nouvelles fonctions de direction générale, dans une nouvelle entreprise, et a besoin de s’appuyer rapidement sur une équipe de direction qui l’aidera dans sa mission. En conclusion, s’il vaut mieux s’affirmer comme technicien dans la première partie de son parcours professionnel afin d’être rapidement reconnu par ses pairs, il ne faut pas sous-estimer l’importance de développer très rapidement des compétences en management. Dans une perspective de développement personnel à moyen / long terme, l’ingénieur doit nécessairement développer cette double compétence. Et l’entreprise dans son ensemble doit, elle aussi, veiller à développer ces deux familles de compétences pour l’ensemble de son personnel, seule voie possible pour réellement aider chaque individu à libérer la totalité de son potentiel de développement personnel et lui permettre ainsi de créer une valeur économique importante pour son entreprise. <<
Renaud Cuignet, Renaud Cuignet Management

 

©