Afvalpreventie
Van grondstof tot afval of niet?

version française

Bedrijven kunnen worden verplicht zoveel mogelijk te doen om afval te voorkomen. Niet alleen om het milieu te sparen, maar ook omdat de kosten voor afvalverwerking behoorlijk hoog kunnen zijn. Minder afval betekent minder milieubelasting en lagere kosten voor afvalverwerking voor een bedrijf. Hierdoor is het al snel financieel aantrekkelijk om ook daadwerkelijk het ontstaan van afval te voorkomen of te beperken.

Om verontreiniging van het milieu te voorkomen en de veiligheid van onze omgeving te garanderen is het belangrijk dat bedrijfsafval op een juiste manier wordt gerecycleerd, hergebruikt, opgeslagen wordt, enz. Ook moet men rekening houden met gevaarlijk en niet gevaarlijk afval. Niet gevaarlijk afval moet onder andere worden opgeslagen in afsluitbare bakken om overlast zoals stank, zwerfafval en/of ongedierte te voorkomen. Gevaarlijke afvalstoffen moeten zo opgeslagen worden dat het milieu niet verontreinigd kan worden. Ook mag geen reactie ontstaan met andere stoffen. Meestal moet de opslag van deze stoffen dan ook plaatsvinden volgens de geldende milieuwetgeving. Dit betekent dat de opslag in veel gevallen plaats moet vinden in een geventileerde ruimte en op een vloeistofdichte vloer. Ook moet de opslagruimte meestal zestig minuten brandwerend zijn of op een bepaalde afstand liggen van andere gebouwen of terreinen. Op grond van de milieuwetgeving is het (meestal) ook niet toegestaan dat bedrijven via de straatkolken afvalwater lozen in het openbare riool. Dit is alleen toegestaan als het bedrijf beschikt over een lozingsontheffing.

Grond- en kunststoffen
Afval bestaat steeds uit grondstoffen. Olie en soms ook aardgas of steenkool zijn de grondstoffen voor kunststoffen. De voorraden van deze fossiele brandstoffen zijn echter eindig en de winning hiervan brengt heel wat milieulast mee. Vier procent van de gewonnen hoeveelheid aardeolie wordt ingezet voor de productie van kunststoffen. Ook zout (NaCI) is voor een aantal kunststoffen, zoals PVC, een belangrijke grondstof. Deze voorraden zijn echter zo groot dat er geen tekorten dreigen. Het belangrijkste milieuprobleem bij de toepassing van chloor (uit het NaCI) is vooral de schadelijkheid van de gevormde chloorverbindingen. De structuur van een kunststof is te vergelijken met een kralenketting. Voor het maken van kunststoffen worden kleine chemische stoffen, ook wel monomeren genoemd, aan elkaar geregen tot een lange keten, het polymeer. De monomeren kun je dus vergelijken met de kralen van de ketting. Zo is bijvoorbeeld polyetheen (of polyethyleen = PE) gemaakt uit het monomeer van etheen en Polyvinylchloride (PVC) is een kralenketting van vinylchloride.

Productie- en afvalfase
Om te berekenen hoeveel energie er in een kunststof ‘geïnvesteerd’ is, moet de energie voor het productieproces worden opgeteld bij de energie die de grondstof, namelijk olie, bezit. Dan blijkt dat de productie van polytheen (PE), Polypropeen (PP) en polyvinylchloride (PVC) minder energie kost dan andere plasticsoorten. Opvallend is ook de vrij geringe energiewaarde van PVC, zelfs in vergelijking met PE en PP. De verklaring hiervoor schuilt in de dichtheid van PVC. Deze heeft namelijk – als gevolg van het chloor – een hoger soortelijk gewicht (1,38 g/cm²) dan PE en PP (0,9 tot 0,96 g/cm²). Aangezien kunststoffen nagenoeg niet afgebroken worden, veroorzaken zij een grote ruimte-inname indien ze gestort worden. Bovendien logen een aantal additieven uit. De emissie van schadelijke stoffen bij verbranding is afhankelijk van het polymeer en de daaraan toegevoegde additieven. Polymeren zoals PE en PP bestaan uit waterstof-, koolstof- en zuurstofatomen. Bij volledige verbranding hoeven hierbij geen giftige stoffen te worden gevormd. Verbrandingsprocessen verlopen echter nooit ideaal, zodat CO (koolstofmonoxyde) en organische verontreinigingen zoals PAK’s (Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen) gevormd zullen worden. Deze kenmerken zich door hun soms sterk kankerverwekkende eigenschappen. Bij verbranding van PVC worden zoutzuur en dioxines gevormd.

Recyclage en hergebruik
Uit schoon en ongemengd afval zijn vrij eenvoudig nieuwe producten te maken. Indien de kunststoffen onderling of met andere materialen vermengd zijn, kan recyclage echter problematisch worden. Laminaten en composieten kunnen dus problemen opleveren. Immers van gemengd plastiek kunnen alleen laagwaardige producten, zoals bijvoorbeeld, bermpaaltjes, tuinbanken en bloempotten gemaakt worden, die niet opnieuw gerecycleerd worden. Slechts een klein deel van alle kunststofafval wordt gerecycleerd. Het betreft voornamelijk homogeen bedrijfsafval dat in grotere hoeveelheden gescheiden wordt ingezameld. Andere typische vormen van hergebruik zijn bijvoorbeeld bier- en frisdrankkratten en de zogenaamde PET-flessen. Zo worden in Duitsland drankkartons gerecycleerd tot spaanderplaat. Hiervoor worden de drankkartons gedroogd en vermalen tot kleine snippers. Het versnipperde materiaal wordt tot platen geperst bij een temperatuur van 180°C, zodat het aanwezige polyethyleen smelt en dienst doet als bindmiddel tussen de deeltjes. Het eindproduct is een spaanderplaat met een aantal bijzondere kwaliteiten. Ze is waterbestendig, brandveilig en vormt een goede geluidsisolatie. Toch moet men steeds het onderscheid maken tussen hoog- en laagwaardige recyclage. Bij hoogwaardige recyclage wordt een product verkregen analoog aan het oorspronkelijke product (denk aan glas). Bij laagwaardige recyclage is het niet mogelijk om tot een analoog product te komen (denk aan de bovenvermelde recyclagevorm van brikverpakkingen). De spaanderplaten komen na gebruik onverbiddelijk op de afvalberg terecht.

Verbranding
Grote delen van de verpakkingsindustrie verstaat onder recyclage ook verbranding. De milieubeweging is het niet eens met de gelijkschakeling van verbranding en recyclage. Voor hen is recyclage het terugwinnen van grondstoffen. Verbranding echter kan in het gunstigste geval enkel gedeeltelijke energie- of warmteterugwinning opleveren, maar betekent een definitief verlies van grondstoffen. Bovendien wordt slechts een beperkt deel van de verbrandingswarmte teruggewonnen. Dit komt doordat de energieopwekking door verbranding een zeer laag rendement kent. Vaak wordt aangenomen dat twintig procent van de verbrandingswarmte in elektriciteit kan worden omgezet. Dit is echter een percentage dat enkel verkregen wordt in optimale omstandigheden. Statistieken tonen aan dat dit slecht dertien of veertien procent is. Vergelijk dit cijfer met de opwekkingsrendementen in elektriciteitscentrales die circa 40 à 55 procent bedragen. Veel cijfers, maar wat betekent dit nu allemaal? Laten we even teruggaan naar onze brikverpakkingen. Deze hebben op zichzelf een relatief hoge energie-inhoud. Twee ton drankkartons levert ongeveer evenveel energie op als één ton aardolie. Echter, men laat meestal achterwege dat het rendement hieruit eerder langs de lage kant is en dat energierecuperatie niet overal wordt toegepast. In de praktijk wordt dus helemaal niet zoveel energie verkregen.

Afvalpreventie in de milieuvergunning
Een belangrijk onderdeel van de verruimde reikwijdte van de milieuwetgeving is het tegengaan van het ontstaan van afval. Afvalpreventie blijkt veel voordelen op te leveren, zowel voor het milieu als financieel. Helaas is preventie in veel gevallen nog steeds een blinde vlek in de bedrijfsvoering. Daarom is het noodzakelijk dat de milieuvergunning hieraan aandacht besteedt. Afvalpreventie hoort een normaal onderdeel te zijn van de milieuvergunning. Bij de vergunningsaanvraag dient dan ook een preventieplan te worden voorgelegd. Ervan uitgaande dat dit plan voldoende kwaliteit heeft, kunnen op basis hiervan in de vergunning maatregelen worden voorgeschreven. Slechts bij hoge uitzondering zou hiervan mogen worden afgeweken: als blijkt dat er nauwelijks (nog) preventiemogelijkheden zijn. Wanneer bepaalde preventiemaatregelen nog op haalbaarheid moeten worden getoetst, kan een onderzoeksverplichting in de vergunning worden opgenomen. In Nederland noemt de “Leidraad afval- en emissiepreventie in de milieuvergunning” een aantal kwantitatieve indicatoren om te bepalen of preventie loont. Deze zijn: aantal werknemers (meer dan tien), hoeveelheden afval en emissies. Dergelijke indicatoren zeggen niet zoveel over de feitelijke mogelijkheden voor preventie. Een klein bedrijf kan misschien op vele fronten besparen, terwijl bij een groot bedrijf misschien alle mogelijkheden al zijn uitgeput. Vandaar dat een beoordeling van geval tot geval op zijn plaats is. Volgende zaken kunnen misschien eens dichter onder de loep worden genomen voor het bepalen van het preventiepotentieel: (aard van de) afvalstromen, technieken (in vergelijking met de branche), mogelijke andere grondstoffen, informatie uit scans en dergelijke, enz. Andere aandachtspunten kunnen zijn: Bevat de vergunningsaanvraag voldoende gegevens over de mogelijkheden voor preventie? Is het zinvol een (korte) preventiedoorlichting te vragen? Moet het bedrijf voldoen aan afspraken die over afvalpreventie zijn gemaakt? Besteedt de vergunning voldoende aandacht aan het invoeren van preventiemaatregelen? Zijn de voorgeschreven maatregelen adequaat? … Milieuorganisaties vinden investeringen in maatregelen met een terugverdientijd van tenminste vijf tot tien jaar redelijk. Deze periode valt vaak samen met de technische levensduur van de getroffen voorzieningen. Uiteraard zijn afwijkingen op deze ‘regel’ mogelijk. Er is maatwerk nodig! <<
O.G.

Prévention des déchets
De la matière première au déchet. A moins que … ?

Il est possible de contraindre les entreprises à faire de leur mieux pour prévenir les déchets. Pour protéger l’environnement, mais aussi parce que les coûts de transformation des déchets peuvent être très élevés. Qui dit ‘moins de déchets’, dit aussi ‘moins de nuisances environnementales’ et ‘frais de traitement des déchets’ réduits. Prévenir ou limiter l’apparition de déchets devient donc bien vite attrayant sur le plan financier.

Pour prévenir la pollution de l’environnement et garantir sa sécurité, il est important que les déchets industriels soient recyclés, réutilisés, stockés comme il se doit. Il convient aussi de bien faire la distinction entre les déchets dangereux et non dangereux. En d’autres termes, les déchets non dangereux doivent être stockés dans des bacs avec fermeture, pour éviter les nuisances comme les odeurs pestilentielles, les déchets abandonnés et/ou la vermine. Les déchets dangereux, quant à eux, doivent être stockés de telle sorte qu’ils ne puissent pas polluer l’environnement et ne ‘réagissent’ pas avec d’autres matières. Mais ce n’est pas tout ! La plupart du temps, ces déchets doivent aussi être stockés conformément à la législation environnementale en vigueur, c’est-à-dire, dans bien des cas, dans un local aéré et sur un sol étanche. L’espace de stockage doit également pouvoir résister à des incendies pendant 60 minutes ou être situé à une distance bien déterminée d’autres bâtiments ou terrains. La législation environnementale interdit aussi (la plupart du temps) que les entreprises déversent leurs eaux usées dans les égouts publics, par l’intermédiaire des avaloirs. Ce déversement n’est autorisé que si l’entreprise dispose d’une levée d’interdiction.

Matières premières et matières synthétiques
Les déchets sont toujours constitués de matières premières. Les matières synthétiques sont elles aussi conçues à base de matière première comme l’huile et, parfois, le gaz naturel ou la houille. Oui, mais voilà ! Les stocks de ces combustibles fossiles sont limités et leur extraction est source de nombreuses nuisances environnementales. Quatre pour cent de la quantité de pétrole extraite est affectée à la production de matières synthétiques. Le sel (NaCl) est, lui aussi, une matière première importante pour toute une série de matières synthétiques comme le PVC. Cela dit, les réserves de sel sont tellement importantes qu’on ne risque pas d’être à court. Le problème environnemental numéro un en ce qui concerne l’utilisation du chlore (issu du NaCl) est la nocivité des liaisons de chlore constituées. Les matières synthétiques ont une structure comparable à un collier de perles. Elles sont constituées en enfilant de petites particules chimiques ou ‘monomères’ les un(e)s contre les autres pour former une grande chaîne : le polymère. Les monomères peuvent donc être comparés aux perles du collier. Le polyéthène (ou polyéthylène = PE) est ainsi constitué d’un monomère d’éthène et le chlorure de polyvinyle (PVC) est une chaîne de chlorure de vinyle.

Phase de production et de déchet
Pour calculer la quantité d’énergie ‘investie’ dans une matière synthétique, il convient de compter la quantité d’énergie nécessaire au processus de production à partir de l’énergie présente dans la matière première, en l’occurrence le pétrole. Conformément à ce calcul, la production de polyéthène (PE), de polypropylène (PP) et de chlorure de polyvinyle (PVC) exige moins de dépense d’énergie que la production d’autres variétés de plastiques. On notera aussi avec intérêt la valeur énergétique plutôt réduite du PVC, même en comparaison avec le PE et le PP. Cette caractéristique est due à la densité du PVC. A cause du chlore, ce dernier possède en effet un poids similaire (1,38 g/cm2) supérieur à celui du PE et du PP (0,9 à 0,96 g/cm2). Les matériaux synthétiques ne sont pour ainsi dire pas décomposés et prennent donc beaucoup de place une fois déversés. Certains additifs se détachent également. L’émission de substances nuisibles lors de la combustion dépend du polymère et des additifs. Les polymères comme le PE et le PP sont constitués d’atomes d’hydrogène, de carbone et d’oxygène. La combustion totale empêche la formation de matières toxiques. Seulement voilà! Les processus de combustion ne sont jamais optimaux et entraîneront toujours la formation de CO (monoxyde de carbone) et d’autres pollutions organiques comme les hydrocarbures aromatiques polycycliques (HAP), caractérisés par leurs propriétés parfois très cancérigènes. La combustion du PVC implique la formation d’esprit-de-sel et de dioxines.

Recyclage et réutilisation
Les déchets propres et non triés peuvent être transformés assez facilement en de nouveaux produits. Si, par contre, les matières synthétiques sont mélangées entre elles ou avec d’autres matériaux, comme dans le cas de laminés ou de matériaux composites, le recyclage peut devenir problématique. Les matières plastiques non triées ne peuvent, en effet, servir que pour la fabrication de produits de faible valeur qui ne peuvent être recyclés, comme les petits poteaux d’accotements, les bancs de jardin et les pots de fleurs. Seule une petite partie des déchets synthétiques est recyclée. Il s’agit principalement de déchets industriels homogènes faisant l’objet d’un tri sélectif et collectés en plus grandes quantités. Une autre forme de recyclage caractéristique concerne le recyclage des caisses de bière et de limonade, sans oublier les bouteilles PET. En Allemagne, par exemple, le carton à boissons est recyclé en panneaux d’aggloméré. Il est, tout d’abord, séché et broyé de manière à former de petites rognures. Ces rognures sont ensuite compressées en panneaux, à une température de 180°C. Le polyéthylène présent fond et sert d’agent liant entre les particules. On finit ainsi par obtenir un panneau d’aggloméré présentant plusieurs qualités spécifiques. Il est hydrofuge, ignifuge et constitue une bonne isolation sonore. Cela dit, distinguez toujours bien le recyclage à valeur élevée et le recyclage à valeur réduite. Dans le cas du recyclage à valeur élevée, on obtient un produit analogue au produit original (songez au verre). A l’inverse, le recyclage à valeur réduite ne permet pas d’obtenir un produit analogue (songez au type de recyclage des emballages Tetra Brik). Une fois utilisés, les panneaux d’aggloméré viendront immanquablement s’ajouter à la montagne de déchets.

Combustion
Pour une bonne partie de l’industrie de l’emballage, le recyclage est aussi synonyme de combustion. Les environnementalistes ne sont pas d’accord avec l’association combustion – recyclage. Pour eux, seul le recyclage est réellement synonyme de récupération de matières premières. La combustion ne permet, dans le meilleur des cas, qu’une récupération partielle d’énergie ou de chaleur partielle, mais les matières premières, elles, sont définitivement perdues. Par ailleurs, seule une quantité limitée de la chaleur de combustion est récupérée. Cette limitation s’explique par le fait que la production d’énergie par combustion a un rendement très faible. On estime généralement que vingt pour cent de la chaleur de combustion peut être transformée en électricité. Et encore ! Ce pourcentage n’est atteint que dans des conditions optimales. Selon les statistiques, il serait plutôt de l’ordre de treize ou quatorze pour cent. Comparez donc ce chiffre avec les rendements de production des centrales électriques, à savoir 40 à 55 pour cent environ. Tous ces chiffres, c’est bien beau, mais qu’est-ce que cela veut dire ? Revenons quelques instants à nos emballages Tetra Brik. Ces emballages présentent, intrinsèquement, une teneur en énergie relativement importante. Deux tonnes de carton à boissons fournissent à peu près autant d’énergie qu’une tonne de pétrole. Seulement voilà ! On néglige généralement le fait que le rendement est plutôt faible et que l’énergie n’est pas récupérée partout. Résultat des courses : la quantité d’énergie obtenue dans la pratique est nettement inférieure.

La prévention des déchets dans le permis environnemental
Empêcher l’apparition de déchets est une composante importante de la législation environnementale élargie. La prévention des déchets offre manifestement de nombreux avantages, tant écologiques que financiers. Et pourtant, elle n’est, dans bien des cas, qu’une ‘tache aveugle’ dans la gestion de l’entreprise. Il est donc indispensable que le permis environnemental y accorde de l’intérêt. La prévention des déchets doit être considérée comme un élément normal du permis environnemental. Un plan de prévention doit donc aussi être présenté lors de la demande de permis. Des mesures peuvent être prescrites dans le permis sur la base de ce plan, à condition, toutefois, que le plan soit de qualité suffisante. Il ne devrait pouvoir être dérogé aux dites mesures que dans des circonstances très exceptionnelles, notamment si les possibilités de prévention sont quasi-inexistantes. Si la faisabilité de certaines mesures de prévention doit encore être examinée, un devoir d’examen peut être intégré dans le permis. Aux Pays-Bas, le ‘Leidraad afval-en emissiepreventie in de milieuvergunning’ désigne des indicateurs quantitatifs permettant de déterminer si une prévention vaut la peine. Ces indicateurs sont le nombre de travailleurs (plus de dix) et les quantités de déchets et d’émissions. Ils ne disent toutefois pas grand-chose sur les possibilités réelles de prévention. Une petite entreprise peut, peut-être, épargner sur de nombreux fronts, alors qu’une grande entreprise a, peut-être, déjà exploité toutes les possibilités. Vous l’avez compris : la situation doit être évaluée au cas par cas. Pour déterminer le potentiel de prévention, il peut être intéressant d’examiner de plus près les éléments suivants : (nature des) flux de déchets, techniques (en comparaison avec la branche), autres matières premières éventuelles, informations tirées des scans et assimilés, etc. D’autres questions peuvent être prises en considération : la demande de permis est-elle suffisamment précise en ce qui concerne les possibilités de prévention ? Est-il judicieux de demander une (petite) radioscopie de prévention ? L’entreprise doit-elle honorer les conventions adoptées en matière de prévention des déchets ? … Les organisations environnementales estiment qu’investir dans des mesures avec un temps de récupération d’au moins cinq à dix ans est raisonnable. Or, cette période correspond souvent à la durée de vie technique des dispositions prises. Il est bien sûr possible de déroger à cette ‘règle’. Un travail sur mesure est nécessaire ! << O.G.
 

 

©