|
Gehoorbescherming
Wie niet horen wil …
version française
Lawaaidoofheid is een vaak onderschatte beroepsziekte. Circa negen procent van
de werknemers heeft te maken met een geluidsniveau dat op termijn oorzaak kan
zijn van gehoorbeschadiging. De drempel waarbij deze kan optreden – zeker als
men er lang aan onderhevig is – is vrij laag, namelijk 80 dB(A). Dit proces
verloopt geleidelijk en zonder merkbare pijn, waardoor de gehoorefficiëntie vaak
wordt vastgesteld als het reeds te laat is. Doofheid door geluidsoverlast en het
slecht horen hebben nochtans ernstige gevolgen, zowel op fysiek als op
psychologisch vlak.
De eisen van onze moderne samenleving en industriële activiteiten houden een
toenemende auditieve ‘vervuiling’ van het dagelijkse leven in. Dikwijls hebben
werknemers de indruk dat ze aan hun omgevingsgeluid wel gewend zullen raken of
men vindt de nadelen van gehoorbescherming groter dan de negatieve aspecten van
het omgevend geluidsniveau, zelfs al ligt dat (te) hoog. Voor dergelijke
werknemers betekent dat op termijn onherroepelijk slechthorendheid.
Gehoorverlies gaat niet meer over. Het enige wat u kunt doen is zorgen dat de
doofheid niet verergert. Meestal geen volledige doofheid, maar door het optreden
van bijvoorbeeld bijkomende oorsuizingen, kan dit op termijn tot volledige
arbeidsongeschiktheid leiden.
Wettelijk kader
De Europese richtlijn 86/188 geeft een geadviseerde grenswaarde aan van 80
dB(A), en zegt dat de werkgever maatregelen moet nemen van zodra het 80 dB(A)
geluidsniveau wordt overschreden. Echter opgelet, want in bepaalde industriële
omgevingen zoals een omgeving met oplosmiddelen, zware metalen of extreme hitte,
kan het proces tot slechthorendheid versnellen of verergeren. De Belgische
wetgever bepaalt dat de werkgever alle nodige maatregelen moet nemen om de
werknemers te beschermen tegen risico’s voor hun gehoor en voor hun gezondheid
en veiligheid, met inbegrip van de preventie van deze risico’s die voortvloeien
of mogelijk voortvloeien uit een blootstelling aan lawaai tijdens het werk. Om
hieraan tegemoet te komen moet de werkgever de nodige persoonlijke
beschermingsmiddelen (PBM) aan de werkgever ter beschikking stellen. Daarnaast
moet het lawaai dat men tijdens het werk ondergaat op elke werkpost worden
geëvalueerd en zo nodig moeten adequate maatregelen worden getroffen om het
geluid aan de bron op te heffen of toch minstens, in de mate van het mogelijke,
beperken voordat er PBM’s moeten worden gebruikt. Echter in alle gevallen moet
de blootstelling van de werknemers aan lawaai worden verminderd tot een zo laag
mogelijk niveau, rekening houdend met de technische vooruitgang en de
beschikbaarheid van geluidbeheersingsmaatregelen, met name aan de bron. Als een
demping tot maximaal 80 dB(A) niet mogelijk is moet de blootstellingsduur worden
beperkt. Hierbij moet men rekening houden met het feit dat bij elke 3 dB(A) het
geluid verdubbelt. Dus als bij een geluidsbelasting van 80 dB(A) acht uur
gewerkt wordt, betekent dit dat bij 83 dB(A) dezelfde belasting in slechts vier
uur plaats vindt. Bij 86 dB(A) zou dat weer een verdubbeling geven en vindt
dezelfde belasting in twee uur plaats, enz. De persoonlijke dagelijkse
blootstelling aan lawaai op het werk moet dus lager liggen dan 80 dB(A) en de
blootstelling aan impulsachtige geluiden mag niet hoger zijn dan een
‘niet-gewogen’ ogenblikkelijke geluidsdruk van 200 Pa of 140 dB. In werkplaatsen
die een dagelijkse persoonlijke blootstelling van de werknemer aan meer dan 80
dB(A) of een blootstelling aan impulsachtige geluiden omvatten of kunnen
omvatten, zijn specifieke maatregelen vereist, met name het gebruik van PBM’s
voor het gehoor.
Criteria
De meetgegevens van het geluid uit een risico-inventarisatie bieden een
goede basis voor de keuze van het juiste type gehoorbeschermer. Daarnaast speelt
– gebaseerd op de draagduur en de persoonlijke voorkeur van de gebruiker –
uiteraard het comfort van de gehoorbeschermer een grote rol.
Gehoorbeschermingsmiddelen moeten zijn aangepast aan de werkomstandigheden van
de werknemer. Hieronder valt te denken aan vuile werkzaamheden, warme
werkomstandigheden, combinaties met andere persoonlijke beschermingsmiddelen,
enz. Het gehoorbeschermingsmiddel moet het geluid natuurlijk in voldoende mate
dempen, zodat het geluid dat het binnenoor bereikt niet schadelijk is. Het
gehoorbeschermingsmiddel mag ook geen andere of nieuwe vorm van gevaar
introduceren, ook niet bij calamiteiten als brand, explosie, enz., en heeft bij
een normaal horende vrijwel geen effect op het waarnemen van
waarschuwingssignalen. Bij mensen met een gehoorbeschadiging kan het horen van
deze signalen wel afnemen. In die gevallen is extra aandacht nodig ter
voorkoming van een te sterke demping van het geluid of dient het
waarschuwingsysteem aangepast te worden. De demping mag dus ook niet te hoog
zijn. De gebruiker raakt dan onnodig in een isolement, wat hem in zijn
functioneren belemmert en gevaren met zich meebrengt. Communiceren en het horen
van waarschuwingssignalen moet hoorbaar blijven. Een gehoorkap bijvoorbeeld
reduceert de hogere frequenties veel sterker dan de lagere, waardoor het geluid
anders op de waarnemer overkomt. Bij in de gehoorgang gedragen middelen is de
vervorming van het geluid veel minder sterk, omdat hierbij de demping minder
frequentieafhankelijk is. Indien het waarnemen van omgevingsgeluiden belangrijk
is, worden daarom in de gehoorgang gedragen gehoorbeschermingsmiddelen
aanbevolen. Draagcomfort is een andere belangrijke factor in het beoordelen van
de kwaliteit van het gehoorbeschermingsmiddel. Dit aspect is vaak de
doorslaggevende factor voor de draagdiscipline van medewerkers. Hoe langer en
vaker de gehoorbeschermingsmiddelen gedragen moeten worden, hoe belangrijker dit
aspect wordt. Het is goed te beseffen dat wat als comfortabel ervaren wordt van
persoon tot persoon kan verschillen. De gebruikte gehoorbeschermingsmiddelen
moeten snel en betrouwbaar kunnen worden in- of opgebracht. Het risico dat men
het verkeerd gebruikt moet zo klein mogelijk zijn. Het is ook aan te raden dat
de gebruiker er op gewezen wordt dat de gehoorbeschermingsmiddelen met schone
handen in de gehoorgang worden aangebracht. Na gebruik moeten meermalig te
gebruiken middelen worden schoongemaakt en in een gesloten verpakking worden
opgeborgen. Vóór het gebruik te vormen middelen (zoals schuimplastic rolletjes)
zijn uit den boze bij zeer vuil werk of in een bacterierijke omgeving, omdat ze
door de sponsachtige structuur verontreinigingen absorberen. Bij oorkappen
moeten de afdichtringen altijd schoon zijn, aangezien anders huidirritatie kan
optreden. Gehoorkappen zijn ook sterk aan slijtage onderhevig. De hoofdbeugels
kunnen verslappen en de oorkappen niet stevig genoeg meer tegen het hoofd
aandrukken. De afdichtringen van oorkappen moeten na verloop van tijd worden
vervangen.
Soorten gehoorbescherming
Er zijn verschillende types gehoorbescherming, die op hun beurt ook nog eens
kunnen onderverdeeld worden naargelang de wijze waarop zij gedragen worden. Eén
vereiste is wel dat de gebruikte geluidsdempers ergonomisch zijn en niet
storend. Gehoorbeschermingsmiddelen kunnen in of buiten de gehoorgang gedragen
worden. Oordopjes, schuimplastic rolletjes en otoplastieken zijn voorbeelden van
inwendig gedragen middelen. De gehoorkap is een voorbeeld van een uitwendig
gedragen middel.
Voorgevormde oordopjes
Voorgevormde oordopjes zijn meestal geschikt voor meermalig gebruik en zijn
gemaakt van buigzaam, elastisch rubber of kunststof dat de gehoorgang luchtdicht
afsluit. Deze kunnen zowel los of met een draagbeugel worden uitgevoerd. Het
voordeel van een draagbeugel is dat men deze minder snel kwijt raakt. De maat
van het oordopje is erg belangrijk: een te klein oordopje veroorzaakt een
geluidslek en een te groot oordopje vermindert het draagcomfort. De juiste maat
van dergelijke oordopjes kan het beste worden vastgesteld met een speciale mal.
Na verloop van tijd dient de maat gecontroleerd te worden, aangezien door het
regelmatig dragen van dit middel, de gehoorgang iets wijder kan worden. Door een
onjuiste pasvorm kan de gehoorgang worden geïrriteerd. Ook hygiëne is
belangrijk, want een met oorsmeer vervuild oordopje kan de gehoorgang
infecteren. Bij een juiste keuze en gebruik van het oordopje, inclusief het goed
schoonhouden, kan dit gehoorbeschermingsmiddel zeker voldoen.
Rolletjes van schuimplastic
Oorrolletjes van geschuimd polymeer zijn één van de meest gebruikte
gehoorbeschermingsmiddelen. Het rolletje wordt eerst met de vingers ineengedrukt
en vervolgens in de gehoorgang gebracht. In de gehoorgang zet het rolletje
binnen enkele seconden uit en neemt de vorm van de gehoorgang aan. Het
draagcomfort wordt veelal als goed aangegeven, terwijl er weinig klachten worden
geuit met betrekking tot irritatie van de gehoorgang. Hier moet men echter wel
rekening houden dat door kauwbewegingen de lawaaibescherming minder kan worden.
Regelmatige controle of na één tot anderhalf uur opnieuw inbrengen kan dan ook
noodzakelijk zijn. Uit hygiënisch oogpunt is het echter van groot belang om
regelmatig (minimaal dagelijks) een schoon setje oorrolletjes te gebruiken.
Tevens is het belangrijk om de rolletjes met schone handen in te brengen, want
vanwege hun sponsachtigheid kunnen ze makkelijk verontreinigingen absorberen en
zodoende irritaties veroorzaken
Otoplastieken
Otoplastieken zijn geheel op maat gemaakt (aangepast aan de individuele vorm van
de gehoorgang), dus comfortabel en ingesteld naar de omstandigheden. Enkele
voordelen ten opzichte van andere gehoorbeschermingsmiddelen zijn:
onmogelijkheid om ze verkeerd in te brengen; geen hinder van irritante dreun of
bonzen; de spraakverstaanbaarheid blijft; makkelijk schoon te houden; lange
gebruiksperiode (2 à 4 jaar); prijs/kwaliteit, enz.
Oorkappen
De oorkap bestaat uit twee schelpen die verbonden worden door een verstelbare
beugel. Goed passende oorkappen hebben een zeer goede geluidsdemping. De schelp
van de oorkap moet het oor geheel omsluiten en goed aansluiten langs het hoofd.
Bij personen met zeer grote oorschelpen, mensen met een baard of brildragers kan
dit problematisch zijn. Doordat oorkappen het omgevingsgeluid sterk verzwakken
en vervormen kan een ‘afgesloten’ gevoel ontstaan. Bij warmte ontstaan vaak
klachten door overmatig zweten. De afdichtrand moet regelmatig vervangen worden
(bij voorkeur jaarlijks) omdat deze op den duur onvoldoende afdicht of
beschadigd kan worden.
Zowel oorkappen als otoplastieken kunnen uitgevoerd worden met een ontvanger,
zodat naar de radio geluisterd kan worden of berichten of alarmsignalen
doorgegeven kunnen worden. Uiteraard mag het geluid dat zij voortbrengen niet
harder zijn dan 80 dB(A). <<
C.V.D.B.
Protection des oreilles
Qui ne veut entendre …
La surdité due au bruit est souvent une maladie professionnelle sous-estimée.
Près de neuf pc des travailleurs souffrent d’un niveau auditif pouvant
provoquer, à terme, des lésions de l’ouïe. Le seuil auquel ce handicap peut
apparaître – certainement si on y est soumis depuis un certain temps – est
relativement bas, à savoir 80 dB(A). Ce processus évolue progressivement, sans
douleurs réelles. De ce fait, la déficience auditive est souvent constatée
lorsqu’il est déjà trop tard. La surdité par nuisances sonores et la déficience
auditive ont toutefois des conséquences graves, aussi bien physiquement que
psychologiquement.
n Les exigences de notre société moderne et des activités industrielles
provoquent une ‘pollution’ auditive croissante dans la vie courante. Souvent,
les travailleurs ont l’impression de pouvoir s’habituer aux nuisances sonores de
leur environnement ou on estime que les inconvénients des protections des
oreilles sont plus importants que les aspects négatifs du niveau acoustique
environnant, même si celui-ci est (trop) élevé. Pour ces travailleurs, cela
signifie, à terme, une perte irréversible de l’audition. La surdité devient
permanente. La seule chose que vous puissiez faire est d’éviter que cette
surdité s’aggrave. En général, pas la surdité complète, mais par l’apparition de
sifflements dans les oreilles peut, par exemple, entraîner une incapacité totale
de travailler.
Cadre légal
La directive européenne 86/188 donne une valeur limite conseillée de 80
dB(A) et impose à l’employeur de prendre des mesures dès que le seuil acoustique
de 80 dB(A) est dépassé. Attention toutefois, car dans certains environnements
industriels, comme les solvants, métaux lourds ou chaleur extrême, le processus
de dégradation de l’audition peut être accéléré voire aggravé.
Le législateur belge impose à l’employeur de prendre toutes les mesures
nécessaires afin de protéger les travailleurs contre les risques pour leur ouïe,
pour leur santé et leur sécurité, y compris la prévention des risques qui en
découlent ou pouvant découler d’une exposition au bruit durant le travail. Afin
d’y remédier, l’employeur doit mettre les équipements de protection personnelle
(EPP) à la disposition des travailleurs. En outre, le bruit que l’on subit
durant le travail doit être évalué à chaque poste de travail et les mesures
adéquates doivent être prises afin de diminuer le bruit à la source ou au moins,
dans la mesure du possible, le limiter avant de devoir utiliser les EPP.
Toutefois, dans tous les cas, l’exposition des travailleurs au bruit doit être
diminué au niveau le plus bas, en tenant compte des progrès techniques et de la
disponibilité des mesures de maîtrise des nuisances sonores à la source. S’il
n’est pas possible de réduire les nuisances à 80 dB(A) maximum, la durée
d’exposition doit être limitée. Il faut dès lors tenir compte du fait que pour
chaque 3dB(A), le bruit double. Donc, en travaillant huit heures à une nuisance
sonore de 80dB(A), cela signifie qu’à une nuisance de 83 dB(A), cela correspond
à une exposition de quatre heures. A 86 dB(A), cela donnerait un doublement et
une exposition équivalant à deux heures, etc.
L’exposition personnelle quotidienne au bruit doit donc rester inférieure à 80
dB(A) et l’exposition aux bruits à impulsions ne peut pas être supérieure à une
pression instantanée ‘non pesée’ de 200 Pa ou 140 dB. Dans les ateliers où le
travailleur peut ou pourrait être exposé personnellement chaque jour à plus de
80 dB(A) ou à des bruits pas impulsion, il est obligatoire de prendre des
mesures spécifiques, c’est-à-dire d’utiliser des EPP pour les oreilles.
Critères
Les mesures du bruit à partir d’une inventorisation des risques offrent une
bonne base pour le choix du type de protection des oreilles adapté. Par
ailleurs, le confort des protections auditives – basé sur la durée d’utilisation
et de la préférence personnelle de l’utilisateur – joue un rôle important.
Les protections auditives doivent être adaptées aux conditions de travail de
l’utilisateur. Il faut notamment songer aux travaux dans un environnement sale,
aux conditions de travail dans la chaleur, à l’association à d’autres
équipements de protection personnelle, etc. La protection auditive doit réduire
suffisamment et de manière naturelle le bruit, afin que celui-ci ne puisse
atteindre et léser l’oreille interne. La protection auditive ne peut pas non
plus introduire d’autres ou de nouvelles formes de danger, y compris en cas de
catastrophe tel incendie, explosion etc. Elle ne peut avoir, pour une personne
qui entend normalement, aucun effet sur la perception de signaux
d’avertissement. Les personnes souffrant de lésions auditives peuvent moins bien
entendre les signaux d’avertissement. Dans ces cas, il faut faire spécialement
attention à ne pas trop étouffer le bruit, ou alors le système d’avertissement
doit être adapté. La diminution du bruit ne peut pas non plus être trop élevée.
L’utilisateur se retrouvera inutilement isolé, ce qui le gênera dans son travail
et peut présenter des dangers. Il faut pouvoir communiquer et entendre les
signaux d’avertissements. Un cache sur les oreilles, par exemple, réduit
nettement plus les hautes fréquences que les basses et, de ce fait, la personne
en question perçoit le bruit différemment. Lorsqu’on porte des protections dans
le conduit auditif, la déformation du bruit est nettement moins forte, parce que
l’étouffement est moins dépendant de la fréquence. Si la perception des bruits
environnementaux est importante, il est conseillé de porter des protections dans
le conduit auditif.
Le confort des protections auditives est un autre facteur important dans
l’appréciation de la qualité de la protection. Cet aspect est souvent
déterminant pour la discipline d’application des collaborateurs. Plus longtemps
et plus souvent les protections auditives doivent êtres portées, plus cet aspect
devient important. Il est bon de comprendre que ce confort peut être perçu
différemment d’une personne à l’autre. Les protections auditives utilisées
doivent pouvoir être introduites ou posées facilement, rapidement et de manière
fiable. Le risque de mal les utiliser doit être le plus petit possible. Il est
donc conseillé de signaler à l’utilisateur que les protections auditives doivent
être introduites dans les oreilles avec des mains propres. Après utilisation,
les protections à usage multiple doivent être nettoyées et enfermées dans un
étui fermé. Les bouchons de protection à modeler avant utilisation (comme les
rouleaux en plastique modelable) ne peuvent en aucun cas être utilisés pour les
travaux très sales ou dans un environnement riche en bactéries, parce que leur
structure spongieuse absorbe les impuretés. Les bords des casques de protection
doivent également toujours être propres, car ils pourraient irriter la peau. Les
casques s’usent aussi très facilement. Les arceaux antibruit peuvent se ramollir
et l’étrier ne plus serrer suffisamment sur la tête. Les anneaux d’étanchéité et
les oreillettes des casques doivent être remplacés régulièrement.
Types de protection auditive
Il existe plusieurs types de protection auditive, qui peuvent, à leur tour,
être subdivisés selon la manière de les porter. Il y a toutefois un impératif :
les protections doivent être ergonomiques et ne pas déranger. Les équipements de
protection auditive peuvent être portés soit sur les oreilles soit dans le
conduit auditif. Les bouchons, les oreillettes, les rouleaux en mousse plastique
sont des exemples de protections internes. Le casque est un exemple de
protection externe.
Oreillettes préformées
Les oreilles préformées sont en général destinées à des usages multiples et ils
sont en caoutchouc ou matière synthétique malléable, bouchant hermétiquement le
conduit auditif. Ceux-ci se portent aussi bien avec un étrier ou sans.
L’avantage d’un étrier est qu’on le perd moins rapidement. La dimension des
oreillettes est très importante : trop petites, elles provoquent une fuite de
bruit et trop grandes, elles diminuent le confort. Pour avoir la bonne
dimension, il est préférable de prendre un moule spécial. Après un certain
temps, la dimension doit être contrôlée, puisque le port régulier de cet
appareil peut élargir légèrement le conduit auditif. Une oreillette mal adaptée
peut irriter le conduit auditif. L’hygiène est également très importante, car
une oreillette souillée par le cérumen peut infecter le conduit auditif. Si les
oreillettes ont été bien choisies et si elles sont utilisées et nettoyées comme
il le faut, cette protection auditive peut certainement suffire.
Rouleaux en mousse de polyuréthane
Les bouchons en mousse de polyuréthane sont un des moyens de protection auditive
les plus courants. Le rouleau est malaxé entre les doigts avant d’être introduit
dans le conduit auditif. A l’intérieur, la mousse se dilate et prend la forme du
conduit auditif. Le confort est en général bon, tandis qu’il y a peu de plaintes
d’irritation du conduit auditif. Toutefois, il faut tenir compte du fait que le
mouvement de mastication peut diminuer la protection contre le bruit. Dans ce
cas, un contrôle régulier s’impose ou une réadaptation au bout d’une demi-heure
à une heure. D’un point de vue hygiénique, il est très important d’utiliser
régulièrement (au moins chaque jour) un nouveau bouchon. Il est d’ailleurs aussi
important d’avoir les mains propres pour malaxer et introduire le bouchon, car
en raison de leur état spongieux ils peuvent facilement absorber les souillures
et provoquer ainsi des irritations.
Oreillettes otoplastiques
Les oreillettes otoplastiques sont entièrement confectionnées sur mesure
(adaptée à la forme individuelle du conduit auditif), donc plus confortables et
adaptées aux circonstances. Quelques avantages comparés aux autres équipements
de protection auditive: impossibilité de mal les introduire, pas de résonance
irritante ou de coup désagréables, la compréhension verbale reste possible,
facile à entretenir, durée de vie plus longue (2 à 4 ans), prix/qualité, etc.
Casques
Le casque est composé de deux coquilles reliées par un étrier réglable. Des
casques bien adaptés sont une excellente protection auditive. La coquille du
casque doit couvrir l’oreille entièrement et doit être bien collée au crâne.
Pour les personnes aux oreilles très grandes, portant une barbe ou des lunettes,
ce casque peut poser un problème. Comme les casques affaiblissent et déforment
le bruit environnemental, ces personnes peuvent avoir une sensation d’isolement.
Lorsqu’il fait chaud, elles peuvent aussi se plaindre de sueur abondante. Les
mousses absorbants extérieurs doivent régulièrement être remplacés (de
préférence une fois par an), parce qu’à la longue, ils perdent de leur
efficacité ou ils peuvent être endommagés.
Aussi bien les casques que les oreillettes otoplastiques peuvent être réalisés
avec un récepteur, permettant d’écouter la radio ou de transmettre des messages
ou des signaux d’avertissement. Evidemment, le bruit qu’ils émettent ne peut
être supérieur à 80 dB(A) <<
C.V.D.B.
|