Hans De Backker, Janssen Pharmaceutica:
“Goede bedoelingen alleen werken niet”


version française

Hoe reageert een Maintenance Manager wanneer hij een nieuwe uitdaging aangaat en zich gepromoveerd ziet tot Plant Director? Van een multinational als Janssen Pharmaceutica nota bene. Kijkt hij anders aan tegen zijn vroegere functie? Schept dit extra mogelijkheden of eerder moeilijkheden?


Het weze gezegd: de onderhoudsfunctie blijft een geweldige ontwikkeling doormaken én schept kansen voor een verdere carrière. De oorspronkelijk nogal naar binnen gerichte onderhoudsorganisatie raakt meer en meer betrokken bij de totale bedrijfsvoering. Het levende bewijs dat de onderhoudsfunctie een perfecte opstap kan zijn naar het algemene management is Hans De Backker, thans Plantdirector Liquids & Creams bij Janssen Pharmaceutica en tot drie jaar geleden Manager Technical Department (op dat ogenblik alle plants). We peilden naar zijn relatie met de huidige onderhoudsmanager voor Plant 1 Swat Geukens én naar zijn huidige visie op het onderhoudsgebeuren. Het werd een boeiend gesprek dat gedomineerd werd door één stelling: “ Effectief onderhoud draagt wezenlijk bij aan de productkwaliteit en de beheersing van de installatie-integriteit. Het is één van de steunpilaren van de huidige veiligheids-, milieu en arbeidszorgsystemen.”
Op de vraag of hij nu kritischer of toleranter was geworden en of hij zijn stempel drukt op de onderhoudsafdeling bij Janssen Pharmaceutica, is Hans duidelijk: “Mijn prioriteiten liggen nu toch enigszins anders, en het is aan Swat Geukens, de huidige Maintenance Manager, om het onderhoudsgebeuren in goede banen te leiden. Uiteraard heb ik nog een eigen visie, maar die ga ik zeker niet doordrukken. Ik ga wel onderhandelen met Swat, en samen zullen we zien wat mogelijk is en wat niet. Maar laat er geen misverstand over bestaan: het is bij Swat Geukens dat de eindverantwoordelijkheid ligt.”
Swat Geukens: “Hans heeft een enorme ervaring op onderhoudsgebied. Ik ben dan ook heel blij dat ik, te gepaster tijd, op deze ervaring kan terugvallen. Uiteraard heb ik een eigen visie, maar het is zeker niet de bedoeling iets te veranderen om te veranderen. Nieuwe bezems vegen misschien wel goed, maar ze mogen zeker niet in het wilde weg vegen. Iets wat goed werkt moet men niet zomaar over boord gooien. Onze objectieven worden gezamenlijk bepaald.”
Volgens onze gesprekpartners kan het concurrentievermogen van een productieplant worden verbeterd door het onderhoud aan de productie-installaties te optimaliseren. Onderhoud wordt op deze manier niet meer gezien als verstoring van de productie of een externe kost. In plaats daarvan zijn gerichte investeringen in onderhoud terug te vinden in de financiële prestaties. Dit vergt een andere relatie tussen productiebedrijf en onderhoudsafdeling.
Hans De Backker: “Om onderhoud te kunnen benutten voor de verbetering van de installaties, moet het veranderingsproces bij de onderhoudsorganisatie, het plant management, de productie-organisatie en alle andere afdelingen absoluut prioriteit hebben. Het moet meer zijn dan een handboek of een computerbestand. Natuurlijk is techniek hiervoor essentieel, maar een goed georganiseerd change management is de key succes factor. Preventieve onderhoudsprogramma’s moeten worden ingebed in een breder pakket om het totale onderhoudsproces te verbeteren. Bij het tot stand komen van een goed onderbouwde onderhoudsstrategie moet gebruik worden gemaakt van criticaliteitsstudies. Daarbij wordt gekeken welke onderhoudstaken/visies bijdragen aan het verbeteren van het prestatieniveau en welke niet. De werkwijze moet echter wel flexibel genoeg zijn zodat, indien nodig, deze kan worden herzien en aangepast op basis van praktijkervaringen. De onderhouds- productiemedewerkers moeten hierbij actief worden betrokken om een draagvlak te ontwikkelen voor nieuwe onderhoudsvormen.”

Minder maar effectiever
De theorie hoe op de meest effectieve en efficiënte wijze onderhoud kan worden gepleegd aan productie-installaties is reeds ver ontwikkeld. Er moeten onderhoudsconcepten voor de installatie(s) worden geschreven, deze moeten in een planning worden opgenomen, er worden werkvoorschriften gemaakt, invoeren in een goed softwarepakket en de klus is geklaard. Helaas blijkt in de praktijk maar al te vaak dat deze diepgaande uitgewerkte theorie, ondanks alle goede bedoelingen en analyses nauwelijks werkt. Onze gesprekpartners: “Uitvoerenden in het onderhoud hebben vaak de indruk dat (sommige) algemene regels niet van toepassing zijn vanwege enkele zeer karakteristieke of specialistische kenmerken die de eigen werksituatie uniek zou maken ten opzichte van de rest van de wereld. Dit is een typisch voorbeeld van bedrijfsblindheid dat doorbroken kan worden door alle betrokkenen te laten merken dat onderhoud altijd wel enige specifieke karakteristieken heeft, maar dat toch steeds dezelfde grondslag van toepassing is. Respect voor de algemene basisvorming ontstaat dan ook vooral in een groter verband waarbij de aanwezigheid van een uiteenlopend gezelschap het ontstaan van een ruimer blikveld tot gevolg heeft.”
Bij Janssen Pharmaceutica heeft men dat duidelijk begrepen, en onder impuls van Hans De Backker en Swat Geukens enkele opmerkelijke stellingen/visies doorgevoerd. “De tijd dat de onderhoudsafdeling ‘alleen op de wereld’ stond is al lang voorbij. Zeker hier bij Janssen Pharmaceutica. Naast het productieproces wordt onderhoud hier wel degelijk gezien als een core-business. Het is een belangrijke pijler in het kwaliteitsgebeuren. Ik zou dan ook niet durven zeggen dat de door ons ingevoerde en gehanteerde benadering echt opmerkelijk is,” stelt Hans De Backker. “Wat wij hier hebben ingevoerd zijn een aantal benaderingen die onze organisatie en werkmethoden overzichtelijker maken en zeker ten goede zijn gekomen. Zo hebben wij een ‘landschapskantoor’ gecreëerd waarin wij alle belangrijke spelers in het supply chain proces (verantwoordelijken/managers van onderhoud, productie, kwaliteitsdienst, planning, enz.) hebben samen gebracht rond dit proces. . Dit heeft de samenwerking, klantgerichtheid en onderlinge communicatie zeker bevorderd. Indien er zich nu een probleem voor doet, zitten alle verantwoordelijken samen en kunnen zij ogenblikkelijk op het probleem inspelen. Misschien een evidente zaak voor een klein bedrijf, maar een hele verandering voor een bedrijf met de dimensies zoals het onze.Een ander belangrijk punt, dat ik echter vroeger al heb ingevoerd zijn de zogenaamde multidisciplinaire verbeteringteams. Dergelijke teams hebben we in elke productieafdeling. Ze bestaan uit verschillende personen uit de productie, engineering, enz., en een onderhoudsmedewerker of ‘peter’ mag hierin zeker niet ontbreken. Deze teams staan in voor de optimalisering van het onderhouds- en productieproces en het elimineren van complexe problemen. Eén van deze teams staat onder de leiding van een onderhoudstechnicus. Een dergelijke aanpak zorgt ook voor een meer participerende rol van onze mensen, met als gevolg dat men meer pro-actief gaat (mee)denken. Je merkt dus dat we bepaalde accenten hebben verlegd. Werd er vroeger vooral departementaal gedacht, leggen we nu de nadruk op het procesmatig denken. Dus over de verschillende departementen heen, zodat er ook hier veel efficiënter kan worden gewerkt.”

Arbeidstaakbeheersing
Het is prachtig om zo’n positieve acceptatie te kunnen beschrijven. Maar waarom wordt dat niet bij elke implementatie gerealiseerd? Wellicht vergeten we vaak hoe belangrijk het is om gebruikers te betrekken bij het selectieproces van onderhoudstechnieken/systemen. Arbeidstaakbeheersing; de mogelijkheid te beslissen over zaken die de voorbereiding en uitvoering van werkzaamheden (kunnen) beïnvloeden is volgens onze gesprekpartners een bepalende factor voor de kwaliteit van de arbeid. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat een hogere arbeidskwaliteit zal motiveren.<<
Hubert Lahaut, Maintenance Magazine

Hans De Backker, Janssen Pharmaceutica:
“Les bonnes intentions seules ne suffisent pas”


Comment réagit un maintenance manager lorsqu’il relève un nouveau défi et se voit promu plant director? Et d’une multinationale comme Janssen Phamarceutica de surcroît! Voit-il sa fonction précédente d’un autre œil? Cela crée-t-il de nouvelles possibilités ou plutôt des difficultés?


Que les choses soient bien claires: la fonction d’entretien continue à connaître un formidable essor et offre des possibilités de carrière plus poussées. L’organisation de l’entretien, à l’origine assez repliée sur elle-même, se voit de plus en plus impliquée dans la gestion globale de l’entreprise. Hans De Backker est la preuve vivante que la fonction d’entretien peut constituer un parfait tremplin vers le management général. Aujourd’hui Plantdirector Liquids & Creams chez Janssen Pharmaceutica, il était, il y a trois ans, Manager Technical Department (de toutes les usines). Nous l’avons questionné sur sa relation avec l’actuel chef de l’entretien de Plant 1, Swat Geukens, et sur sa vision actuelle de l’entretien. Notre conversation était passionnante. Une seule pensée dominait: «L’entretien effectif contribue réellement à la qualité du produit et à la maîtrise de l’intégrité de l’installation. Il constitue un des piliers des systèmes de contrôle actuels de la sécurité, de l’environnement et du travail.» A la question de savoir s’il est désormais plus critique ou plus tolérant et s’il marque de son empreinte le département d’entretien de Janssen Pharmaceutica, Hans est très clair. «Mes priorités sont différentes aujourd’hui. C’est à Swat Geukens, l’actuel Maintenance Manager, qu’il revient de bien gérer l’entretien. J’ai naturellement une vision, mais je ne l’imposerai certainement pas. Je discuterai avec Swat et nous verrons ensemble ce qu’il est possible de faire ou non. Mais j’insiste sur le fait que la responsabilité finale incombe à Swat Geukens.» Et Swat Geukens de rétorquer: «Hans a acquis une expérience phénoménale dans le domaine de l’entretien. Je suis dès lors heureux de pouvoir, en temps voulu, profiter de cette expérience. J’ai naturellement ma propre vision mais je n’ai certainement pas l’intention de changer pour changer. Les nouveaux balais balaient mieux mais ils ne doivent pas balayer dans le vide. Il ne faut pas changer une équipe qui gagne. Nous déterminons ensemble nos objectifs.» Nos interlocuteurs sont d’avis que la capacité concurrentielle d’une usine de production peut être améliorée en optimisant l’entretien des installations de production. L’entretien n’est alors plus considéré comme un élément perturbateur de la production ou comme un coût externe. Bien au contraire, nous retrouvons des investissements ciblés en entretien dans les performances financières. Cela requiert une certaine relation entre le département de production et celui de l’entretien. «Si l’on veut pouvoir profiter de l’entretien pour améliorer les installations, le processus de changement doit absolument être prioritaire dans la cellule de l’entretien, le plant management, le département de production et tous les autres départements. Il ne peut se résumer à un simple manuel ou logiciel informatique. La technique est naturellement essentielle à cet égard mais une gestion du changement est le facteur clé du succès. Des programmes d’entretien préventif doivent être intégrés pour améliorer le processus d’entretien global. Lors de la réalisation d’une stratégie d’entretien bien étayée, il faut recourir à des études de criticité. On regarde alors quelles tâches d’entretien/visions contribuent à l’amélioration du niveau de performance et lesquelles n’y contribuent pas. La méthode de travail doit toutefois être suffisamment flexible pour pouvoir être revue, si nécessaire, et adaptée sur la base d’expériences pratiques. Les collaborateurs de l’entretien et de la production doivent être activement impliqués afin de développer une base d’appui permettant d’introduire de nouvelles formes d’entretien.»

MOINS MAIS PLUS EFFECTIF
La théorie sur l’entretien le plus effectif et efficace des installations de production est déjà fortement développée. Il convient d’élaborer des concepts d’entretien pour les installations et de les reprendre dans un planning. Il faut ensuite rédiger des instructions de travail, les introduire dans une bonne solution logicielle et le tour est joué. Malheureusement, la pratique nous montre trop souvent que cette théorie bien élaborée fonctionne à peine, malgré toutes les bonnes intentions et analyses. «Les exécutants au niveau de l’entretien ont souvent l’impression que (certaines) des règles générales sont inapplicables en raison de quelques caractéristiques très spécifiques qui rendent leur environnement de travail unique par rapport au reste du monde» remarquent nos interlocuteurs. «Voilà un exemple classique d’aveuglement de l’entreprise qui peut être brisé en faisant simplement remarquer à toutes les personnes concernées que l’entretien présente toujours quelques caractéristiques spécifiques mais qu’il repose systématiquement sur les mêmes fondements. Le respect pour la formation de base générale apparaît dans un contexte plus large, lorsque la présence d’un groupe disparate apporte une vision plus large.» Janssen Pharmaceutica a bien compris cela. Sous l’impulsion de Hans De Backker et de Swat Geukens, plusieurs approches/visions remarquables ont été mises en pratique. «Cela fait déjà un certain temps que le département d’entretien n’est plus isolé du monde. Surtout chez Janssen Pharmaceutica. Outre le processus de production, l’entretien est bel et bien considéré comme un métier de base. Il constitue un pilier important de la qualité. Je n’oserais dès lors affirmer que l’approche que nous avons introduite est remarquable» déclare Hans De Backker. «Nous avons introduit plusieurs approches qui rendent notre organisation et nos méthodes de travail plus synoptiques et qui ont été profitables. Nous avons créé un ‘paysager’ sur lequel nous avons rassemblé tous les acteurs importants du processus de la chaîne d’approvisionnement (responsables/managers de l’entretien, de la production, du service qualité, du planning…). Cette nouvelle structure a fortement stimulé la collaboration, l’orientation client et la communication en interne. Aujourd’hui, en cas de problème, tous les responsables se rassemblent et réagissent directement au problème. Cela peut sembler évident pour une petite entreprise mais pour une société de notre taille, cela implique un réel changement. Les équipes d’amélioration multidisciplinaires constituent un autre point important, aspect que j’avais toutefois déjà introduit auparavant. Nous disposons de telles équipes dans chaque département de production. Elles sont composées de différentes personnes de la production, de l’ingénierie… et comptent toutes un collaborateur de l’entretien ou un ‘parrain’. Ces équipes assurent l’optimisation du processus d’entretien et de production et l’élimination des problèmes complexes. Une de ces équipes est dirigée par un technicien d’entretien. Une telle approche induit aussi une meilleure participation de notre personnel et suscite de leur part une réflexion plus proactive. Vous notez donc que nous déplaçons certains accents. Si l’on pensait autrefois surtout au niveau département, nous mettons aujourd’hui l’accent sur une réflexion en termes de processus, traversant ainsi les différents départements afin de travailler plus efficacement.»

MAITRISE DES TACHES A EXECUTER
Cela semble génial de pouvoir décrire une acceptation si positive. Mais pourquoi cela n’est-il pas fait lors de chaque implémentation? Nous oublions probablement souvent à quel point il est important d’impliquer les utilisateurs dans le processus de sélection des techniques et systèmes d’entretien. La maîtrise des tâches à exécuter; la possibilité de décider des choses pouvant influencer la préparation et l’exécution des activités est selon nos interlocuteurs un facteur déterminant pour la qualité du travail. Il est bien sûr évident de supposer qu’une meilleure qualité du travail sera un facteur motivant. <<
Hubert Lahaut, Maintenance Magazine

 

©