Hoog- en laagspanningleidingen
Algemene veiligheids- maatregelen en basisregels

version française

Er komt heel wat energie kijken bij het werken aan elektrische luchtleidingen. Correcte beveiligingen zijn dus noodzakelijk. Elektriciteit is niet zichtbaar. De gevolgen van verkeerd gebruik of het niet naleven van de veiligheidsvoorschriften zijn dat des te meer. Als onderhoudstechnicus die aan dergelijke lucht- en/of ondergrondse leidingen moet werken, koestert u dus terecht hooggespannen verwachtingen op het gebied van veiligheid bij hoog- en laagspanning.

Regelmatige controles zijn een absolute noodzaak, zelfs indien ze niet wettelijk opgelegd zouden worden. Bij het opstarten, installeren, controleren en onderhouden van elektrische leidingen en andere installaties dienen strikte regels in acht genomen te worden. Ook voor (onderhouds-)werken aan elektrische lijnen gelden de reglementen van het ARAB en AREI alsook de Europese richtlijnen en normen die meer en meer aan belang winnen. De voorgeschreven procedures zijn van toepassing op werknemers van de opdrachtgever en voor aannemers, hun personeel en hun onderaannemers die in de buurt van elektrische leidingen werken uitvoeren. Deze procedure verduidelijkt de veiligheidsmaatregelen en basisregels voor de uitvoering van werken in de nabijheid van elektrische leidingen.

Hoogspanning of laagspanning
Wij kunnen een onderscheid maken tussen hoogspanningsluchtlijnen en laagspanningsluchtlijnen.
Bij laagspanning is er een onderscheid tussen geïsoleerde geleiders (kabelbundel) en niet-geïsoleerde koperen geleiders, ook wel ‘blanke’ geleiders genoemd. Bij werken in de nabijheid van niet-geïsoleerde elektrische leidingen moet men erover waken dat men buiten de gevarenzone rond de geleiders blijft. Bij hoogspanning is zelfs een benadering als gevaarlijk te beschouwen, omdat een overslag door de lucht steeds mogelijk is. Daarom moet men er over waken dat bijvoorbeeld een hefwerktuig of een hoogwerker niet gevaarlijk dicht bij de draden kan komen.

Wat is gevaarlijk dicht?
Op het eerste gezicht lijken alle luchtnetten vrij goed op elkaar. Het is niet aangewezen om op uiterlijke kenmerken van de leiding en het spanningsniveau van de leiding zomaar vast te stellen. Het is dus zeker nodig contact op te nemen met de elektriciteitsverdeler. Deze zal/moet alle inlichtingen verschaffen en indien nodig de schikkingen treffen die zich opdringen om de veiligheid te verzekeren. Als er geen andere mogelijkheid is kan de lijn eventueel tijdelijk buiten spanning gezet worden door de uitbater van de installatie.
Moet men voor bepaalde werken met een vast opgestelde kraan op een korte afstand van de lijnen werken, dan gelden bepaalde minimum afstanden. Deze afstanden moeten in acht genomen worden, rekening houdend met het slaan van kabels, het bewegen van lasten of onder invloed van deze lasten, het gebruik van geleidingskabels, het uitvoeren van onderhoudswerken van loopkatten, evenals het uitslaan van de draden onder invloed van een sterke zijwind en een grotere doorhang van de geleiders bij hogere temperaturen. Er mogen geen risico’s genomen worden. Vooral bij het schatten van afstanden kunnen er gemakkelijk fouten gemaakt worden.
Voor het plaatsen van kranen of manipuleren van lasten in de onmiddellijk nabijheid van luchtlijnen zal men best tijdig contact opnemen met de elektriciteitsverdeler. Deze zal dan, na overleg met de aanvrager de juiste plaats en de eventueel te nemen veiligheidsmaatregelen bespreken.
De gevaarlijke zone van de geleiders met ‘blanke of daarmee gelijkgestelde geleiders’ is het volume, gevormd door de verplaatsing van een cirkel met straal “a” in een vlak loodrecht op de geleiders, waarbij het middelpunt van de cirkel langs de geleider glijdt die denkbeeldig de meest ongunstige toestand van de ‘blanke of daarmee gelijkgestelde geleider’ voorstelt. De straal “a” van de beschrijvende cirkel is in functie van de spanning:
§ bij laagspanning: a = 2 m.
§ bij hoogspanning: a = 2,5 + Un x 0,01 (met Un wordt de nominale spanning tussen geleiders uitgedrukt in kV en a uitgedrukt in meter).
Geen enkel werk mag in de gevaarlijke zone van een luchtlijn met ‘blanke of daarmee gelijkgestelde geleiders’ uitgevoerd worden, zonder voorafgaande schriftelijke machtiging van de beheerder van de lijn en zonder de door deze laatste opgelegde voorwaarden te eerbiedigen.

Concreet gevaar
Uitsluitend in geval van laagspanning (< 1.000 V) kan er gebruik gemaakt worden van hulpmiddelen om de geleiders tijdelijk te isoleren zodat alle gevaar voor rechtstreekse aanraking vermeden is. Het aanbrengen van deze hulpmiddelen moet bij de elektriciteitsverdeler aangevraagd worden en deze zal er zelf voor zorgen dat deze hulpmiddelen vakkundig aangebracht worden.
Bij hoogspanningsluchtlijnen kan er aan de voedingszijde van de leiding een automatische wederinschakeling staan. In dit geval wordt de lijn na de uitschakeling minsten éénmaal automatisch terug ingeschakeld. Dit gebeurt meestal ogenblikkelijk en indien de fout (of de hindernis) dan nog aanwezig is, schakelt de lijn definitief uit.
De positie van een hoogspanningsgeleider kan ogenblikkelijk veranderen onder invloed van verschillende factoren zoals de buitentemperatuur, de wind, de elektrische belasting of ijzel. Voor een leek is het dan ook niet mogelijk om de meest nadelige positie van een hoogspanningsgeleider te situeren. Wanneer men niet zeker is, moet men dus de werken onmiddellijk onderbreken en contact opnemen met de elektriciteitsverdeler, die eventueel ter plaatse de nodige schikkingen zal treffen om het werk veilig te kunnen hervatten. De hoogspanningsgeleiders betekenen een concreet gevaar voor de personen die zich op minder dan de wettelijke veiligheidsafstand bevinden. Dit gevaar bestaat uiteraard ook voor personen die toestellen bedienen of voorwerpen behandelen die zich binnen de voornoemde veiligheidsstandaard bevinden. In al deze gevallen kan er een elektrische overslag met steekvlam ontstaan, zelfs indien de geleiders niet aangeraakt worden. Vooral tijdens de verplaatsing van lange voorwerpen als balken, betonijzer, kraanarmen ..., is nauwlettend toezicht van de werkverantwoordelijke noodzakelijk.
Deze richtlijnen moeten ook meegedeeld worden aan de personeelsleden en aan alle aannemers of onderaannemers die op de werf werken zullen uitvoeren. Dit geldt zo onder andere voor kraanbestuurders, dakwerkers, enz. Tevens moet men erover waken dat deze regels stipt nageleefd worden. De elektriciteitsverdeler kan in geen enkel geval aansprakelijk gesteld worden voor de schade die een direct of indirect contact met een geleider zou toebrengen aan personeel, machines en/of werktuigen. Indien de spanningsgeleider zou breken door een beschadiging door derden kan de schade aangericht aan aanpalende percelen, gebouwen en machines niet verhaald worden op de elektriciteitsverdeler.

Wat te doen bij fatale aanraking?
De bestuurder van de kraan, de hoogwerker of de (brandweer)ladder moet als volgt handelen:
§ kalm blijven;
§ de zitplaats niet verlaten;
§ de personen rond de kraan bevelen deze niet aan te raken;
§ iedereen rond de kraan verplichten zich te verwijderen;
§ de kraan van de draden verwijderen;
§ de elektriciteitsverdeler verwittigen van het contact met de lijn;
§ indien het toestel niet van de lijn kan verwijderd worden moet de elektriciteitsverdeler onmiddellijk verwittigd worden om het net af te schakelen.
Zolang de bediener zijn zitplaats in het toestel niet verlaat heeft hij niets te vrezen. Pas wanneer hij eruit stapt, zal hij bij het bereiken van de grond een elektrische ontlading tussen kraan en grond veroorzaken, die zware brandwonden en zelfs dodelijke elektrocutie tot gevolg kan hebben. Zelfs indien hij uit de kraan spring zonder deze nog te raken blijft er een gevaar, omdat er aan de oppervlakte van het omgevend terrein, grote spanningsverschillen kunnen bestaan (stapspannigen).

Ondergrondse leidingen
De ondergrondse leidingen zijn altijd geïsoleerd. Hier is het nog moeilijker om een onderscheid te maken tussen de verschillende soorten kabels: hoogspanning, laagspanning, kabeltelevisie, telecommumnicatiekabels, telefoonkabels, ...
In het artikel 192.02.a van het AREI staat hierover: “Geen enkel grondwerk, bestrating of ander werk mag in de omgeving van een ondergrondse elektrische kabel uitgevoerd worden zonder voorafgaand de eigenaar van de grond, de overheid die de eventueel gebruikte openbare weg beheert en de eigenaar van de kabel te raadplegen. Het al dan niet aanwezig zijn van merktekens, voorzien in artikel 188 van het AREI, geeft geen vrijstelling van deze raadpleging. Afgezien van deze raadpleging mag de uitvoering van een werk slechts begonnen worden na lokalisatie van de kabels”.
De voorafgaande raadpleging is niet verplichtend wanneer ‘dringend werken moeten worden uitgevoerd om onderbreking van de dienst te vermijden’. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn indien er zich een gasontsnapping voordoet waarvan de oorzaak onmiddellijk hersteld moet worden of in geval van verzakking van de baan of alle andere omstandigheden die dringende maatregelen vereisen. Echter, zelfs in deze dringende gevallen moet de aannemer de kabels vooraf lokaliseren.

Lokalisatie van leidingen
De aannemer moet gebruik maken van alle feitelijke elementen die hem kunnen toelaten de kabels te lokaliseren, zoals de nabijheid van een elektrische cabine, werken in een industriegebied of andere aanduidingen die toelaten het bestaan van ondergrondse kabels te vermoeden. Aangezien bepaalde kabels niet gemerkt moeten worden of niet vermeld moeten worden op de plannen (zoals aftakkingen), zal de aannemer in die gevallen verplicht zijn het lokaliseren te steunen op andere aanduidingen dan deze die hij zou kunnen gekregen hebben van de uitbater van het net. Het is evident dat de gegevens van een plan of van een andere informatiebron een benaderend karakter hebben, en dit onder meer door:
§ het schaaleffect bij plannen;
§ de technische noodzaak de kabel in de sleuf te laten ‘slingeren’, om onder andere ingeval van grondverzakking of een ander ongeval de kabel te vrijwaren tegen schadelijke trekspanningen.
In principe kunnen verkeerde aanduidingen op de plannen niet ingeroepen worden door de aannemer als een grond van onoverwinnelijke dwaling: hij moet immers de kabel vooraf lokaliseren. Het is ook verboden om machines en mechanische werktuigen voor grondwerk te gebruiken over een sleufbreedte van 2 x 50 cm vermeerderd met de kabeldikte (zie AREI 192-02-c). Het spreekt vanzelf dat deze ruimte slechts kan vastgesteld worden nadat de kabel vooraf gelokaliseerd werd. Het gaat niet om een veiligheidsmarge ten voordele van de aannemer, maar wel om een veiligheidsmarge ter voorkoming van schade door de onnauwkeurigheid bij het hanteren van mechanische werktuigen.
Er is echter een uitzondering: Dit verbod is evenwel opgeheven indien de aannemer en de eigenaar van de kabel, voorafgaandelijk overeenstemming bereiken omtrent de na te leven voorwaarden (zie ook AREI 192-02-c).

Peilingen
Peilingen moeten steeds uitgevoerd worden met handwerktuigen. De oppervlaktelaag mag evenwel met de nodige voorzichtigheid weggenomen worden met behulp van mechanische tuigen (pneumatische hamers, enz.). Een peiling wordt uitgevoerd door loodrecht op de vermoede as van de leiding een sleuf te graven, dat wil zeggen op de plaats aangeduid door het plan of door de uitbater van deze leiding en ze symmetrisch en loodrecht op de richting van die as aan beide zijden uit te breiden tot de leiding gevonden is. Het is ook mogelijk dat door later uitgevoerde werken in de nabijheid van deze leidingen, door grondverschuivingen of andere gebeurtenissen waarover de uitbater van de leiding niet ingelicht is, deze leidingen niet meer liggen zoals ze op het plan zijn aangeduid.

Mechanische werktuigen en afstanden
De aannemer kan de onvoldoende diepte van de kabel niet inroepen indien vaststaat dat hij met een mechanisch werktuig boven de kabel gewerkt heeft. Evenmin kan hij de afwijking tussen de realiteit en het plan inroepen, omdat hij de kabel vooraf moet lokaliseren om de veiligheidsruimte ten opzichte van de kabel te kunnen bepalen. Slechts in geval van “onoverwinnelijke dwaling”, m.a.w. wanneer hij niet kan voorzien dat hij in de nabijheid van een kabel zou werken (bvb. wegens ernstige afwijkingen tussen de informatie en de realiteit), zal hij zijn aansprakelijkheid kunnen betwisten.
Het AREI, artikel 188-05 zegt: “De eigenaar van een kabel moet te allen tijde de plannen ter beschikking hebben of moet bij ontstentenis hiervan de nodige aanduidingen kunnen geven om de plaats ervan te bepalen. Binnen een termijn van 7 werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag die hem terzake wordt toegestuurd, moet hij deze inlichtingen verstrekken aan om het even wie gemachtigd is om werken uit te voeren in de nabijheid van de kabel”.
Indien er geruime tijd verlopen is tussen de aanvraag van de plannen en het begin van de werken, zal de aannemer best contact opnemen met de plaatselijke vertegenwoordiger van de elektriciteitsverdeler om na te vragen of er iets gewijzigd is.
Indien een kabel die onder spanning staat bij het uitvoeren van graafwerken beschadigd wordt, heeft dit niet noodzakelijk tot gevolg dat de spanning afgeschakeld wordt. Ook is het mogelijk dat de beschadigde kabels van op afstand terug in dienst gesteld kunnen worden tijdens het zoeken naar de oorzaak van de storing. De aannemer of zijn personeel moeten er ook voor zorgen dat iedereen zich ten minste 10 meter van de beschadigde kabels verwijdert en dat de plaatselijke verdeler onmiddellijk verwittigd wordt van de oorzaak en de plaats van de beschadiging. De elektriciteitsverdeler zal dan nagaan of de kabel al dan niet spanningsloos en onbelast is en of er op een veilige manier kan verder gewerkt worden. Indien er tijdens de werken twijfels ontstaan over het al of niet veilig kunnen werken, moet de elektricteitsverdeler steeds verwittigd worden en deze zal dan steeds zo snel mogelijk een afgevaardigde ter plaatse sturen. Een veilige werkomgeving, daar gaan we voor! <<
C.V.D.B.
 

Conduites haute et basse tension
Mesures de sécurité générales et règles de base

Le personnel s’occupant des conduites électriques aériennes est soumis à de très grandes quantités d’énergie. Il est donc nécessaire de prendre les mesures de sécurité adéquates. En effet, l’électricité est invisible. Les conséquences d’une mauvaise application ou du non-respect des mesures de sécurité sont d’autant plus graves. En tant que technicien affecté à l’entretien des conduites aériennes et/ou souterraines, vous nourrissez donc – à juste titre – des attentes en matière de sécurité à haute et basse tension.

La réalisation de contrôles réguliers constitue une nécessité absolue, même si elle n’est pas inscrite dans la loi. Des règles strictes doivent être prises en considération lors de la pose, de l’installation, du contrôle et de l’entretien des conduites électriques et d’autres installations. Pour les travaux (d’entretien) effectués sur les lignes électriques aussi, il convient de respecter le Règlement général pour la protection du travail (RGPT) et le Règlement général des installations électriques (RGIE) ainsi que les directives et normes européennes qui ne cessent de gagner en importance. Les procédures prescrites s’appliquent aux travailleurs du donneur d’ordre, aux entrepreneurs, à leur personnel et à leurs sous-traitants travaillant à proximité de conduites électriques. Cette procédure explique les mesures de sécurité et les règles de base relatives à l’exécution de travaux à proximité de conduites électriques.

Haute ou basse tension
Nous pouvons établir une distinction entre lignes à haute et basse tension (voir tableau 1).
En cas de basse tension, il y a une différence entre conducteurs isolés (câbles) et conducteurs non isolés en cuivre, également appelés conducteurs « nus ». En cas de travaux réalisés à proximité de conduites électriques non isolées, il convient de veiller à ce que le personnel reste en dehors de la zone dangereuse autour des conduites. En cas de haute tension, il convient de considérer que le fait même de se rapprocher est dangereux parce qu’un transport est toujours possible. Il faut par conséquent veiller, par exemple, à ce qu’un appareil de levage ou un élévateur à nacelle ne se rapproche pas dangereusement des fils.

Quelle distance avec les fils est considérée dangereuse ?
A première vue, tous les réseaux aériens semblent vraiment identiques. Il est donc recommandé de ne pas prendre les caractéristiques externes et le niveau de tension de la conduite pour argent comptant. Il convient de prendre contact avec le distributeur d’électricité. Ce dernier fournira/doit fournir tous les renseignements nécessaires et au besoin prendre les mesures qui s’imposent afin de garantir la sécurité. S’il n’y a pas d’autre possibilité, la ligne peut éventuellement être mise hors tension momentanément par l’exploitant de l’installation.
S’il faut travailler sur des grues fixes à proximité de conduites non isolées, certaines distances minimales sont d’application. Ces distances doivent être respectées, compte tenu du balancement des câbles, du déplacement des charges ou sous l’influence de ces charges, de l’utilisation de conducteurs, de l’exécution de travaux d’entretien sur les chariots, de même que du décrochage des fils sous l’influence d’un vent latéral puissant ou de l’affaissement des conducteurs en cas de températures élevées. Aucun risque ne peut être pris. Des erreurs sont principalement commises lors de l’estimation des distances.
Pour la mise en place des grues ou la manipulation des charges à proximité immédiate des conduites aériennes, il est préférable de prendre contact à temps avec le distributeur d’électricité. Après concertation avec le demandeur, celui-ci indiquera l’emplacement exact et discutera des éventuelles mesures de sécurité à prendre.
La zone dangereuse de « conducteurs nus ou assimilés » est le volume, formé par le déplacement d’un cercle d’un rayon « a » dans un plan perpendiculaire aux conducteurs où le milieu du cercle court le long du conducteur qui représente, dans l’imaginaire, l’état le plus défavorable du « conducteur nu ou assimilé ». Selon la tension, le rayon « a » du cercle descriptif est :
§ à basse tension : a = 2 m
§ à haute tension : a = 2,5 + Un x 0,01 (où Un désigne la tension nominale entre les conducteurs exprimée en kV et « a » en mètres).
Aucun travail ne peut être effectué dans la zone dangereuse d’une ligne aérienne munie de « conducteurs nus ou assimilés » sans autorisation écrite préalable du gestionnaire de la ligne et sans respecter les conditions fixées par ce dernier.

Danger concret
Uniquement en cas de basse tension (< 1000 V), certains matériels peuvent être utilisés afin d’isoler provisoirement les conducteurs de manière à éviter tout danger lié à un contact direct. L’installation de ces matériels doit être demandée au distributeur d’électricité, lequel veillera à ce qu’ils soient installés selon les règles de l’art.
En cas de lignes aériennes à haute tension, un réenclenchement automatique peut être installé du côté de l’alimentation de la conduite. Dans ce cas, la ligne est réenclenchée automatiquement une fois au moins après la mise hors tension. Ceci arrive généralement de façon temporaire et si l’erreur (ou la panne) ne disparaît pas, la ligne est définitivement mise hors tension.
La position d’un conducteur haute tension peut changer momentanément sous l’influence de différents facteurs comme la température extérieure, le vent, la charge électrique ou le verglas. Pour le profane, il n’est donc pas possible de situer la position la plus défavorable d’un conducteur haute tension.

En cas d’incertitude, il faut dès lors interrompre immédiatement les travaux et contacter le distributeur d’électricité qui prendra éventuellement les mesures nécessaires sur place afin de pouvoir reprendre les travaux en toute sécurité. Les conducteurs haute tension représentent un danger concret pour les personnes qui se trouvent à une distance inférieure à la distance légale de sécurité. Ce danger existe naturellement aussi pour les personnes utilisant des appareils ou manipulant des objets se trouvant à l’intérieur de la norme de sécurité susmentionnée. Pour tous ces cas évoqués, il peut y avoir un transport électrique avec jet de flamme même s’il n’y a pas contact avec les conducteurs. Le responsable doit faire preuve d’une attention particulière lorsqu’il déplace des objets hauts comme des poutres, des fers à béton, des bras de grue, etc.
Ces instructions de base doivent par ailleurs être communiquées aux membres du personnel et à tous les entrepreneurs et sous-traitants qui travailleront sur le chantier. Il en va notamment de la sorte pour les grutiers, les couvreurs, etc. Il convient simultanément de veiller à ce que ces règles soient rigoureusement respectées. Le distributeur d’électricité ne peut en aucun cas être tenu responsable des dommages qui seraient causés au personnel, aux machines et/ou aux outils en cas de contact direct ou indirect avec un conducteur. En cas de panne du conducteur de tension du fait de tiers, les dommages causés aux parcelles, bâtiments et machines adjacents ne peuvent pas être imputés au distributeur d’électricité.

Que faire en cas de contact mortel ?
Le conducteur de la grue, de l’élévateur à nacelle ou du camion (de pompiers) à échelle doit agir comme suit :
§ rester calme
§ ne pas quitter son siège
§ recommander aux personnes autour de la grue de ne pas la toucher
§ exiger que tout le monde s’écarte de la grue
§ éloigner la grue des fils
§ informer le distributeur d’électricité du contact avec la ligne
§ si l’appareil ne peut pas être éloigné de la ligne, le distributeur d’électricité doit en être immédiatement informé afin de mettre le réseau hors tension.
Le conducteur n’a rien à craindre tant qu’il n’a pas quitté sa place dans l’appareil. C’est précisément lorsqu’il la quittera et qu’il touchera le sol qu’il recevra une décharge électrique qui pourra entraîner de sérieuses brûlures, voire une électrocution mortelle. Un danger subsiste même lorsqu’il sort de la grue sans toucher le sol parce que d’importantes différences de tension (tensions de pas) peuvent apparaître à la surface du terrain avoisinant.

Conduites souterraines
Les conduites souterraines sont toujours isolées. Il est encore plus difficile dans ce cas de distinguer les différentes sortes de câbles : haute tension, basse tension, de télévision, de communication, de téléphone…
L’article 192.02.a du RGIE dispose à cet égard : « Aucun travail souterrain, pavage ou autre travail ne peut être effectué dans le voisinage d’un câble électrique souterrain sans consultation préalable du propriétaire du terrain, de l’autorité gérant la voie publique éventuellement utilisée et du propriétaire du câble. L’éventuelle présence de panneaux indicatifs, prévue à l’article 188 du RGIE, ne soustrait personne à cette consultation. Outre cette consultation, la réalisation d’un travail ne peut être commencée qu’après localisation des câbles. »
La consultation préalable n’est pas obligatoire lorsque « des travaux urgents doivent être réalisés afin d’éviter une interruption de service ». Il en irait par exemple de la sorte en cas de fuite de gaz dont la cause doit être immédiatement réparée ou en cas d’effondrement de la voie ou de toutes autres circonstances exigeant des mesures d’urgence. Toutefois, l’entrepreneur doit préalablement localiser ces câbles, même dans ces cas d’urgence.

Localisation des conduites
L’entrepreneur doit utiliser tous les éléments de fait susceptibles de lui permettre de localiser les câbles, comme la proximité de la cabine électrique, les travaux réalisés dans une zone industrielle ou d’autres indications permettant de présumer de l’existence de câbles souterrains. Etant donné que certains câbles ne doivent pas être marqués ou indiqués sur les plans (comme les déviations), l’entrepreneur sera tenu dans ces cas de baser la localisation sur d’autres indications que celles qu’il aurait pu obtenir de la part de l’exploitant du réseau. Il va sans dire que les données d’un plan ou d’une autre source d’informations ont un caractère approximatif, et ce notamment en raison :
§ de l’effet d’échelle des plans
§ de la nécessité technique de faire « zigzaguer » le câble dans la fente afin de le soustraire aux tensions, notamment en cas d’effondrement de la voie ou de tout autre accident.
En principe, les indications erronées sur les plans ne peuvent pas être invoquées par l’entrepreneur comme motif d’erreur invincible : il doit en fait localiser préalablement le câble. Il est également défendu d’utiliser des machines et des outils mécaniques de terrassement sur une largeur de 2 x 50 cm augmentée de la section du câble (voir RGIE 19202c). Il va sans dire que cet espace ne peut être constaté qu’après localisation préalable du câble. Il ne s’agit pas d’une marge de sécurité profitant à l’entrepreneur mais d’une marge de sécurité visant à prévenir tous dommages liés à une quelconque imprécision lors de la manipulation d’outils mécaniques.
Il existe toutefois une exception : cette interdiction est également levée si l’entrepreneur et le propriétaire du câble s’accordent préalablement sur les conditions à respecter (voir également RGIE 19202c).

Sondages
Les sondages doivent toujours être effectués avec des outils manuels. La couche superficielle peut éventuellement être enlevée avec la prudence nécessaire à l’aide d’outils mécaniques (marteaux pneumatiques, etc.). Un sondage est réalisé en creusant une fente perpendiculairement à l’axe présumé de la conduite, c’est-à-dire à l’endroit indiqué par le plan ou par l’exploitant de cette conduite et en l’élargissant de façon symétrique et perpendiculairement à la direction de cet axe des deux côtés jusqu’à ce que la conduite soit trouvée. Il est également possible que ces conduites ne soient plus à l’endroit indiqué par le plan en raison de travaux exécutés ultérieurement à proximité de ces conduites, de glissements de terrain ou d’autres événements.

Outils mécaniques et distances
L’entrepreneur ne peut pas invoquer le manque de profondeur du câble s’il apparaît qu’il a travaillé à l’aide d’un outil mécanique au-dessus du câble. Il ne peut pas non plus invoquer la différence entre la réalité et le plan parce qu’il doit préalablement localiser le câble pour pouvoir déterminer l’espace de sécurité par rapport au câble. Il ne pourra contester sa responsabilité qu’en cas d’« erreur invincible », c’est-à-dire lorsqu’il ne peut pas prévoir qu’il travaille à proximité d’un câble (par exemple en raison de divergences importantes entre les informations fournies et la réalité).
Le RGIE dispose à l’article 188-05 : « Le propriétaire d’un câble doit à tout moment tenir les plans y relatifs à disposition ou fournir les indications nécessaires s’il n’en dispose pas afin de pouvoir en déterminer la localisation. Il doit fournir ces renseignements à toute personne habilitée afin d’exécuter les travaux à proximité du câble dans un délai de 7 jours ouvrables à compter de la réception de la demande qui lui est adressée en ce sens. »
Si un long laps de temps s’écoule entre la demande des plans et le début des travaux, l’entrepreneur prendra contact avec le représentant local du distributeur d’électricité afin de demander si une éventuelle modification est survenue.
Si un câble sous tension est endommagé lors de l’exécution des travaux de terrassement, ceci n’implique pas nécessairement que toute tension a disparu. Il est également possible que les câbles endommagés puissent être réutilisés en recherchant la cause de la perturbation. L’entrepreneur ou son personnel doit veiller à ce que chacun s’éloigne à 10 mètres au moins des câbles endommagés et à ce que le distributeur local soit immédiatement informé de la cause et de l’endroit des dommages. Le distributeur d’électricité regardera alors si le câble est toujours alimenté et chargé ou si l’on peut continuer le travail en toute sécurité. Si des doutes sont émis au niveau de la sécurité lors de la réalisation des travaux, le distributeur d’électricité doit en être immédiatement informé et il enverra un délégué sur place dans les plus brefs délais. Un environnement de travail sûr, tel est notre engagement! <<
C.V.D.B.
 

 

©