Hoe (on)veilig
is het onderhoudsberoep?

version française

“De kans op een beroepsziekte ligt voor onderhoudsmensen in de industrie acht tot tienmaal hoger dan het nationale gemiddelde. De periode van arbeidsongeschiktheid na een ongeval is niet minder dan 53 dagen.” Het Franse AFIM voerde een studie uit naar de ‘veiligheid in het onderhoudsberoep’ en kwam tot opmerkelijke resultaten.

De studie in kwestie is een initiatief van AFIM (Association Française des Ingénieurs et responsables de Maintenance) en kwam tot stand met de steun van het Franse ministerie van arbeid en het fonds voor de verbetering van de arbeidsomstandigheden. Het gaat om een primeur: tot nu is zowel in België als in de ons omringende landen, nauwelijks onderzoek verricht naar de veiligheids- en gezondheidsaspecten van specifiek het onderhoudsberoep. Relevante cijfers voor ons land bestaan – naar ons weten - niet. Ook de Franse studie verliep niet zonder slag of stoot. Slechts een beperkt aantal ondernemingen was bereid haar medewerking te verlenen. Voor de goede orde dient gesteld dat het niet om de kleinste gaat: Amec Spie, Camon, Cegelec, Endel, Game Sud Est, Ponticelli en SMRI, alle gevestigd in de regio van de Provence, de Alpen en de Côte d’Azur.
Tijdens de 4de BEMAS Maintenance Day, deze keer over ‘Maintenance & Safety’, stelde Claude Pichet, president van AFIM en de bezielende kracht achter het onderzoek, de voornaamste resultaten voor. AFIM is de tegenhanger van BEMAS (Belgian Maintenance Association) in Frankrijk. Omdat de studie niet zonder enige relevantie is voor de situatie in België, had Maintenance Magazine (uiteraard) aansluitend een gesprek met de initiatiefnemer. Claude Pichot: “Binnen het onderhoud staan de werknemers continu in contact met het materiaal. Bijgevolg worden zij niet enkel blootgesteld aan activiteitsgebonden risico’s, maar ook aan de specifieke productrisico’s en de gevaren die zijn gekoppeld aan het gebruikte materiaal en de inherente eigenschappen van de gebruikte producten. Materialen openen, zegels verbreken met het oog op een nadere inspectie, defecte of aangetaste onderdelen vervangen of herstellen ….., het zijn slechts enkele van de dagelijkse taken van het onderhoudspersoneel. Het openen van gesloten circuits impliceert echter vaak ook een verhoogd risico of blootstelling aan giftige, mutagenen of kankerverwekkende producten of stoffen die worden vrijgegeven door het materiaal.”

Het onderhoudsgebeuren is een beroep met risico’s. Welke zijn de risico’s en waar en wanneer gebeuren de meeste ongevallen?
PICHOT: “Globaal gezien doet ongeveer 90% van de ongevallen zich voor op de terreinen van de firma waar het onderhoud geschiedt; de overige 10% doet zich voor in de ateliers van de onderhoudsfirma. Hoewel de meeste ongevallen worden geregistreerd op dinsdag, woensdag en donderdag, leeft de ‘mythe’ van de maandagongevallen nog steeds verder. Dit geldt overigens ook voor de historie van de talrijke in een ongeval betrokken werknemers, waarbij het aantal ongevallen zeer hoog zou liggen. De cijfers spreken voor zich: in vijf jaar werden 155 ongevallen met werkverlet en 149 verschillende slachtoffers opgetekend.”

Onderhoud kent de zwaarste ongevallen en heeft de meest blootgestelde beroepen?
PICHOT: “Met een frequentiegraad (nvdr.: aantal ongevallen met werkverlet per miljoen gepresteerde arbeidsuren) van 45 tot 150 lassers, buizenfitters, koperslagers en monteurs (nvdr.: gemiddelde van 24 voor de 17 miljoen werknemers in Frankrijk), beperken de arbeidsongevallen binnen deze beroepscategorieën het potentieel risico van deze beroepen van 1,5 tot 9%. Echter, daar waar de frequentiegraad van het geheel van deze onderhoudsberoepen lager ligt dan het nationale gemiddelde (16,7 tegen 24), is het tegenovergestelde waar voor de gemiddelde duur van tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Voor onderhoudsberoepen bedraagt de tijdelijke arbeidsongeschiktheid 53 dagen voor alle beroepen samen, hetzij 29% meer dan het nationale gemiddelde van Frankrijk (41 dagen). Deze cijfers liggen nog hoger binnen de sectoren Gebouwen en Openbare Werken (49,3 dagen), metaalnijverheid (35 dagen) of chemie (37,2 dagen). Binnen de onderhoudssector leiden 76% van de ongevallen met werkverlet tot een gemiddelde tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 29 dagen; 24% van de ongevallen leidt tot een gemiddeld werkverlet van 129 dagen.”

Kan men verschillen optekenen binnen de verschillende industriële sectoren?
Claude Pichot: “Naargelang van de industriële sectoren waarbinnen het ongeval zich voordoet kunnen aanzienlijke verschillen worden opgetekend wat betreft de opgemeten ernst en de duur van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Zo ligt het gemiddelde aantal dagen tijdelijke arbeidsongeschiktheid bij ongevallen in de chemische sector op 65 dagen, voor de raffinaderijen is dit 52 dagen, voor de staalnijverheid 43 dagen. Bij ongevallen die worden opgetekend in de ateliers van de onderhoudsbedrijven bedraagt dit aantal 41 dagen. Binnen drie onderhoudsfuncties ligt de gemiddelde duurtijd van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid nog hoger (meer dan 70 dagen), namelijk buizenfitters, monteurs en elektriciens. Ook de leeftijd van de betrokken werknemer speelt een rol: zo bedraagt de gemiddelde duurtijd van arbeidsongeschiktheid 92 dagen voor de leeftijdscategorie 51-60 jaar, in vergelijking met 63 dagen voor diezelfde categorie op nationaal niveau.”

Welke zijn de voornaamste oorzaken voor ongevallen?
PICHOT: “Wat betreft de oorsprong van de ongevallen, blijkt dat 77% van de ongevallen met tijdelijke arbeidsongeschiktheid tot gevolg, te wijten is aan:
 Behandeling: 18,7%
 Manuele en geassisteerde behandeling: 15,7%
 Uitrusting: 10,6%
 Installaties: 9,8%
 Voertuigen: 8,3%
 Verklemming van de vingers: 8,2%
 Gebrekkige collectieve veiligheidsmiddelen: 6,1%
Tijdens het correctief onderhoud wordt ongeveer 50% van de ongevallen m.b.t. behandeling geregistreerd. Wat betreft de uitrusting heeft 47% van de gebeurde ongevallen betrekking op de slagboormachines.”

Hoe hoog ligt het risico op beroepsziekten?
PICHOT: “Het risico op een beroepsziekte ligt tot tienmaal hoger bij onderhoudsmensen dan bij de andere werknemers van CRAM Marseille (Caisse Régionale d’Assurance Maladie de Marseille). Namelijk 5,25 op 1000 voor onderhoudsmensen ten opzichte van 0,506 voor de andere werknemers van CRAM Marseille. Dit aantal ligt echter ook tot achtmaal hoger dan het nationale gemiddelde, vier maal zo hoog als bij de metaalverwerkende sector en driemaal zo hoog als bij de sector Gebouwen en Openbare Werken. Drie beroepsziekten vertegenwoordigen 70% van alle aandoeningen! Asbest vertegenwoordigt 30% van alle gevallen, benzeen staat voor 25% en lawaaioverlast 15%. In vergelijking met de gegevens van de Caisse Régionale d’Assurance Maladie de Marseille voor eenzelfde periode, ligt de kans op een beroepsziekte veroorzaakt door asbest voor onderhoudsmensen zeven maal hoger dan het gemiddelde, 180 maal hoger voor benzeen en 15 keer meer voor lawaaioverlast.”

Welke beroepsgroepen lopen het grootste risico aan beroepsziektes?
PICHOT: “Met een blootstellingsfactor die 64 tot 100 maal hoger ligt dan het gemiddelde (CRAM Marseille of CNAM nationale), lopen in het bijzonder monteurs, lassers en buizenfitters het meeste risico op beroepsziekte. Voor de beroepen elektricien en instrumentalist ligt het risico op een beroepsziekte zes tot tienmaal hoger dan het regionaal of nationaal gemiddelde. Enkel het beroep van mecanicien en koperslager zijn vrijgesteld van beroepsziektes: Zij vertegenwoordigen respectievelijk 50% en 5%.”

Hoe zit het dan met de regelmatige medische onderzoeken? Zijn deze dan niet verplicht?
PICHOT: “90% van de werknemers die werden geconfronteerd met een beroepsziekte, waren nog nooit onderworpen aan een Speciaal Medisch Onderzoek (SMO). Dit ondanks het feit dat 80% van hen een anciënniteit van meer dan 15 jaar had. 10% van de werknemers werden onderworpen aan een SMO zonder dat daarbij een verband werd gelegd met beroepsziektes.”

Waaraan is dit te wijten?
PICHOT: “De hoge kosten zullen er wel voor iets tussenzitten. De gemiddelde premie die is gekoppeld aan ongevallen en beroepsziektes bedraagt in Frankrijk, gedurende de periode van het onderzoek ongeveer 6% van het brutoloon. Naargelang van de onderneming bedraagt de kostprijs van een dag tijdelijke arbeidsongeschiktheid tussen de 469 en 990 Euro. De gemiddelde kostprijs van een ongeval met werkverlet bedraagt bijgevolg tussen de 25,3 kE en 53,5 kE. De schadevergoeding voor een beroepsziekte kost een onderneming ongeveer 100 kE. Wanneer deze cijfers op een nationaal niveau worden geprojecteerd, lopen de kosten voor ongevallen en beroepsziektes op tot ongeveer 1% van de totale onderhoudsuitgaven binnen de industrie, zijnde zo’n 24 miljoen Euro per jaar.”

Wie is er vandaag de dag niet van overtuigd dat hij zijn uiterste best heeft gedaan om de gezondheid van zijn onderhoudsmedewerkers te vrijwaren?
Claude Pichot: “De meesten van ons zijn al lang tevreden wanneer zij ‘P3’ maskers en oordopjes onder het onderhoudspersoneel hebben verdeeld. De realiteit leert echter dat de bedrijfswereld zich vragen moet stellen omtrent de relevantie van de aangewende preventiemiddelen.”

Is een nieuwe benadering en visie is dan ook broodnodig?
Claude Pichot: “Wanneer we niet willen breken met de huidige beschermingsmiddelen en geen rekening houden met de kenmerken van de onderhoudstaken binnen de industrie, zal er niets veranderen. Aangezien het weinig realistisch is om elke vorm van asbest uit de fabrieken te weren, en het quasi onmogelijk blijkt om op korte termijn lawaaioverlast te beperken of de hoeveelheid benzeen te reduceren, is een eerste stap het risico dat deze stoffen voor onderhoudsmensen inhouden, te erkennen en er acties aan te koppelen. Bijvoorbeeld door systematisch zuivere lucht door de ateliers te laten stromen, of door alle onderhoudsmensen uit te rusten met lawaaiwerende hoofdtelefoons die hen desondanks in staat stellen om met elkaar en de opdrachtgevers te communiceren. Kortom, door het kwaad bij de wortel uit te roeien, zowel op het vlak van gezondheid als op het vlak van kosten. Een andere optie is om het Speciaal Medisch Onderzoek specifiek uit te breiden naar de drie frequentste beroepsziektes (asbest, benzeen, lawaaioverlast) en op die manier de preventiemogelijkheden uit te breiden.”

Blijft echter het cliché overeind dat bepaalde voorzorgsmaatregelen en beschermingsmiddelen duur zouden zijn?
PICHOT: “Een professionele doofheid lijkt het, ware het niet dat arbeidsongeschiktheid aan de werknemer zo’n 100.000 Euro kost. Bij arbeidsongeschiktheid ingevolge asbest loopt dit bedrag op tot bijna 200.000 Euro. Een extra premie van 4% stemt bij een carrière van 40 jaar overeen met ongeveer 2 jaar salaris dat wordt uitgekeerd aan de verzekeraar CRAM. Wat is dan het nut van nieuwe besparingen, wanneer de huidige uitgaven geen enkel nut dienen en nefast zijn voor de gezondheid van de werknemers? Maar wie raakt ontroerd door de berichtgeving van de hoeveelheid arbeidsongevallen? De personeelsdienst rekent dit aantal door aan het team dat instaat voor de loonberekening. Elke maand wordt zonder uitstel en zonder een spier te vertrekken een cheque uitgeschreven. Ziedaar de zogenaamde toegevoegde waarde. Gedaan met het verlichten van een verzekeringsapparaat dat dergelijke risico’s dekt. Een dergelijk initiatief zal ongetwijfeld niet op gejuich worden onthaald bij de verzekeraars, maar heeft des te meer gevolgen voor 4% van de bruto salarissen. Op het vlak van veiligheid en gezondheid is het nut van deze win-win situatie echter bewezen.” <<
Hubert Lahaut, Maintenance Magazine

(In)Sécurité
de votre métier


‘Les risques de maladies professionnelles sont de huit à dix fois supérieurs pour le personnel de maintenance industrielle, comparés à la moyenne nationale. La période d’incapacité de travail suite à un accident n’est pas moins de 53 jours.’ L’AFIM a réalisé une étude consacrée à la ‘sécurité dans le service maintenance’.
Les résultats sont étonnants

L’étude a été réalisée à l’initiative de l’AFIM (Association Française des Ingénieurs et responsables de Maintenance). Elle a été soutenue par le ministère français du travail et le fonds pour l’amélioration des conditions de travail. Les principales sociétés de service ont collaboré à cette étude (Amec Spie, Camon, Cegelec, Endel, Game Sud Est, Ponticelli et SMRI) de la région Provence-Alpes-Côtes d’Azur.

Lors du 4ième BEMAS Maintenance Day, avec comme sujet ‘Maintenance & Safety’, Claude Pichet, président de l’Afim et cheville ouvrière de cette étude a présenté les principaux résultats. AFIM est l’association sœur en France de BEMAS (Belgian Maintenance Association). Comme cette étude présente quelque intérêt pour la situation en Belgique, Maintenance Magazine a (évidemment) eu un entretien avec la personne à la tête du projet. Claude Pichot: « Dans le cadre de la maintenance, les ouvriers sont en contact permanent avec le matériel. Ils sont donc, non seulement, exposés aux dangers liés à leur activité, mais aussi aux divers risques liés aux produits et à ceux liés au matériel utilisé et aux propriétés inhérentes aux produits utilisés. Ouvrir le matériel, briser des scellées pour une inspection plus approfondie, remplacer ou réparer des pièce défectueuses ou attaquées,…. Ce ne sont que quelques unes des tâches quotidiennes du personnel de maintenance. Le fait d’ouvrir un circuit fermé implique souvent aussi qu’il y a un risque accru d’exposition à des produits toxiques, mutagènes, produits ou substances cancérigènes libérées. »

La maintenance est métier à risques. Quels sont ces risques ? Où et quand y a-t-il le plus d’accidents ?
PICHOT: « Globalement, près de 90% des accidents ont lieu sur les terrains de l’entreprise ou s’effectue la maintenance, les autres 10% ont lieu dans les ateliers de la société de maintenance. Bien que la plupart des accidents soient enregistrés le mardi, le mercredi et le jeudi, le ‘mythe’ des accidents du lundi existe toujours. C’est d’ailleurs aussi le cas dans l’histoire des nombreux ouvriers impliqués dans un accident, selon lesquels le nombre d’accidents serait très élevé. Les chiffres sont éloquents: en cinq ans, 155 accidents avec absence au travail et 149 victimes différentes ont été recensés. »

La maintenance compte les accidents les plus graves et compte les métiers les plus exposés
PICHOT: « Avec un taux de fréquence (ndlr: nombre d’accidents avec absence au travail par million d’heures de travail prestées) de 45 à 150 soudeurs, plombiers, chaudronniers et monteurs (ndlr: une moyenne de 24 pour les 17 millions de travailleurs en France), les accidents de travail au sein de ces catégories professionnels limitent le risque potentiel de ces métiers de 1,5 à 9%. Toutefois, là où le taux de fréquence de l’ensemble de ces métiers de maintenance est plus faible que la moyenne nationale (16,7 contre 24), le contraire est vrai pour la durée moyenne de l’incapacité temporaire de travailler. Pour les métiers de maintenance, la durée moyenne d’incapacité temporaire de travailler est de 53 jours pour toutes les disciplines, soit 29% de plus que la moyenne nationale en France (41 jours). Ces chiffres sont encore plus élevés dans les secteurs de la construction et des travaux publics (49,3 jours), la métallurgie (35 jours) ou la chimie (37,2 jours). Au sein du secteur de la maintenance, 76% des accidents avec absence au travail entraînent une incapacité temporaire de travail de 29 jours ; 24% des accidents entraînent une moyenne de 129 jours d’absence au travail. »

Peut-on noter des différences au sein même des différents secteurs industriels?
Claude Pichot: « Selon les secteurs industriels dans lesquels un accident s’est produit, on peut noter des différences considérables dans la gravité et l’incapacité temporaire de travailler. Dans le secteur chimique, par exemple, le nombre moyen de jours d’incapacité temporaire de travail est de 65 jours, dans les raffineries, il est de 52 jours, dans la métallurgie de 43 jours. Pour les accidents dans les ateliers des entreprises de maintenance, ce nombre est de 41 jours. Dans les trois fonctions de maintenance, la durée moyenne d’incapacité temporaire de travail est encore plus élevée (plus de 70 jours), notamment pour les plombiers, monteurs et électriciens. L’âge des ouvriers concernés est également important: la durée moyenne d’une incapacité de travail est de 92 jours pour les ouvriers dans la catégorie d’âge 51-60 ans, comparé à 63 jours pour cette même catégorie au niveau national. »

Quelles sont les principales causes d’accidents ?
PICHOT: « En ce qui concerne l’origine des accidents, il semble que 77% des accidents entraînant une incapacité temporaire de travail est due
 à une manipulation: 18,7%
 à une manipulation manuelle et assistée: 15,7%
 à l’équipement: 10,6%
 aux installations: 9,8%
 aux véhicules: 8,3%
 au coincement des doigts: 8,2%
 à des moyens de protection collective défaillant: 6,1%
Durant l’entretien correctif, on enregistre près de 50% des accidents, lors de manipulations. Pour les équipements, 47% des accidents sont dus à des perceuses à percussion. »

A quel niveau se situe le risque de maladies professionnelles ?
PICHOT: « Le risque de maladie professionnelle est dix fois plus élevé dans le groupe du personnel de maintenance que pour les autres catégories d’ouvriers affiliés au CRAM de Marseille (Caisse Régionale d’Assurance Maladie de Marseille): 5,25 ouvriers de maintenance sur 1000, comparé à 0,506 pour les autres ouvriers du CRAM Marseille. Ce chiffre est aussi huit fois supérieur à la moyenne nationale, quatre fois aussi élevé que pour le secteur métallurgique et trois aussi élevé que dans le secteur de la construction et des travaux publics. Trois maladies professionnelles représentent 70% de toutes les affections ! L’amiante représente 30% de tous les cas, le benzène, 25% et le bruit 15%. Comparé aux données de la Caisse Régionale d’Assurance Maladie de Marseille pour une même période, les risques de maladie professionnelle liée à l’amiante est sept fois supérieur pour les ouvriers de maintenance que la moyenne, 180 fois pour le benzène et 15 fois pour le bruit. »

Quels sont les principaux groupes à risque au niveau des maladies professionnelles ?
PICHOT: « Avec un facteur d’exposition de 64 à 100 fois supérieur à la moyenne (CRAM Marseille ou CNAM national), ce sont essentiellement les monteurs, les soudeurs et les plombiers qui représentent le principal groupe à risque. Pour les électriciens et les instrumentalistes, le risque de maladie professionnel est six à dix fois plus élevé que la moyenne régionale ou nationale. Seuls les métiers de mécanicien et de chaudronnier sont exempts de maladies professionnelles: ils représentent respectivement 50% et 5%.

Qu’en est-il alors des examens médicaux réguliers ? Ne sont-ils pas obligatoires ?
PICHOT: « 90% des personnes qui ont été confrontées à une maladie professionnelle, n’avait jamais subi un Examen Médical Spécifique (EMS), malgré le fait que 80% parmi eux avait une ancienneté de plus de 15 ans. 10% des ouvriers ont été soumis à un EMS sans qu’il y ait un rapport avec une maladie professionnelle. »

A quoi est-ce dû ?
PICHOT: « Les frais élevés y seront certainement pour quelque chose. La prime moyenne pour les accidents et maladies professionnelles représente, en France, environ 6% du salaire brut durant la période d’examen. Selon l’entreprise, une journée d’incapacité temporaire de travail coûte entre 469 et 990 euros. Par conséquent, un accident avec absence au travail coûte entre 25,3 kE et 53,5 kE. L’indemnisation pour maladie professionnelle coûte environ 100kE à une entreprise. En projetant ces chiffres au niveau national, les coûts pour les accidents et maladies professionnelles représentent environ 1% des dépenses totales en maintenance au sein de l’industrie, soit quelque 24 millions d’euros par an. »

Qui, aujourd’hui, n’est pas convaincu avoir fait le maximum pour protéger la santé de son personnel de maintenanc ?
Claude Pichot: « La majorité d’entre nous est déjà très satisfaite lorsqu’elle a distribué les masques ‘P3’ et les protecteurs anti-bruit au personnel. La réalité nous apprend toutefois que les industries doivent s’interroger sur l’importance des moyens de prévention utilisés. »

N’est-il pas grand temps de changer d’approche et de vision?
Claude Pichot: Si nous ne voulons par rompre avec les moyens de protection actuels et que nous ne prenons pas en compte les caractéristiques des tâches liées à la maintenance dans l’industrie, rien ne changera. Comme il est peu réaliste d’éviter toute forme d’amiante dans les usines et qu’il est quasiment impossible de limiter, à court terme, les nuisances sonores ou de réduire les quantités de benzène, il faut commencer par reconnaître ces dangers et par entreprendre des actions pour lutter contre les dangers que ces éléments représentent pour le personnel de maintenance. Par exemple, en faisant circuler constamment de l’air frais dans les ateliers, ou en équipant toutes les personnes qui travaillent dans un environnement très bruyant de protections antibruit, qui leur permettent néanmoins de communiquer avec leurs collègues et les patrons. Bref, il faut attaquer le mal par la racine, tant du point de vue de la santé que des coûts. Une autre possibilité serait d’étendre l’Examen Médical Spécifique aux trois maladies professionnelles les plus fréquentes (amiante, benzène, nuisances sonores) et d’améliorer ainsi les possibilités de prévention. »

Toutefois, il reste le cliché selon lequel les mesures de prévention et les moyens de protection sont onéreux?
PICHOT: « Cela ressemble à de la surdité professionnelle, mis à part qui l’indisponibilité de travailler coûte quelque 100.000 euros à l’employeur. En cas d’incapacité de travailler liée à l’amiante, ce montant s’élève à près de 200.000 euros. Une prime supplémentaire de 4% correspond, pour une carrière de 40 ans, à près de 2 ans de salaire, versé à l’assureur CRAM. Quel est dès lors l’intérêt de ces nouvelles économies, alors que les dépenses actuelles n’ont aucune utilité et nuisent à la santé des salariés ? L’annonce du nombre d’accidents de travail a-t-il jamais ému quelqu’un ? Le service du personnel transmet le chiffre aux responsables du calcul des salaires. Chaque mois, le chèque est transmis, sans retard et sans broncher. C’est ce que l’on appelle la valeur ajoutée. Fini de soulager l’assurance qui couvre ces risques. Les assureurs n’accueilleront certainement pas une telle initiative avec joie. Les conséquences sont d’autant plus importantes pour 4% des salaires bruts.Au plan de la sécurité et de la santé, l’utilité d’une telle opération win-win a toutefois été démontrée. »
Hubert Lahaut, Maintenance Magazine

 

©