Onderhoudstechnicus
Een knelpuntberoep!


version française

Het vinden van ervaren technische mensen is voor veel bedrijven of beroepscategorieën geen gemakkelijke opdracht. De oorzaak van knelpuntvacatures kan zowel aan de vraag- als aan de aanbodzijde liggen. Aan de vraagzijde kan het imago van de job een rol spelen, de verloning, de selectieprocedure en de kansen op promotie. Terwijl aan de aanbodzijde een tekort aan de gevraagde kwalificaties of een gebrekkige mobiliteit één van de redenen kan zijn.


Sommige beroepen zijn ‘uit’ omdat ze niet ‘sexy’ genoeg zijn bij de jongeren, andere omdat sommige ouders niet willen dat hun kind naar een technische school gaat omdat dat onterecht als ‘minderwaardig’ beschouwd wordt. Vooral dat laatste is dikwijls een pijnlijke vergissing en vertelt soms meer over de ambities van de ouders dan over de interesses van de jongeren zelf. Het niveau van ons technisch onderwijs is zo sterk geëvolueerd dat de keuze voor een technische opleiding een springplank kan zijn naar een aantrekkelijke baan. Een algemeen secundaire opleiding is meer en meer een gemakkelijkheidsoplossing voor ouders en jongeren. Spijtig genoeg blijkt dan enkele jaren later dat diezelfde jongeren verdwaald geraken in het algemeen onderwijs, geen job vinden en zich moetenlaten herscholen door een of andere instelling. Zo verliezen ze vele jaren en/of raken ze gefrustreerd”, aldus Johan De Coster, voorzitter van BEMAS (Belgian Maintenance Association).

Situatie
In België zitten er meer dan 600.000 mensen zonder werk. In de industriële onderhoudssector wordt het tekort aan vakkundig technisch personeel geschat op 6 à 10.000. Toch moeten er aanmoedigingspremies worden gegeven aan mensen om bepaalde opleidingen te volgen en bepaalde beroepen uit te oefenen. Vreemd genoeg zijn die zogenaamde knelpuntberoepen niet alleen zogezegde ‘vuile jobs’ en/of slecht betaalde banen. Meer zelfs, dergelijke probleemberoepen staan meestal garant voor vast werk en een uitstekende verloning. Johan De Coster: “Het is een van de opvallendste kenmerken van onze grillige arbeidsmarkt, en ik vrees dat die toestand de komende jaren nog complexer zal worden. Denk maar aan de recente oproep van bepaalde werkgevers om meer gekwalificeerde gastarbeiders naar ons land te halen. Dit kan misschien (tijdelijk) helpen, maar het kan echter niet de strategie van een land zijn om goedkope(re) werkkrachten uit het buitenland te halen, en zeker niet op lange termijn”.
Uit een in 2004 – door Cevora en Federgon – uitgevoerde knelpuntstudie blijkt dat de knelpunten in hoofdzaak een gevolg zijn van een kwalitatieve ‘mismatch’ tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Tal van werkzoekenden die zich aanbieden beantwoorden niet of onvoldoende aan het gevraagde profiel, omwille van een ontoereikend scholingsniveau, een gebrek aan ervaring, talenkennis of specifieke competenties. Uit het rapport blijkt ook dat de top drie van de knelpuntberoepen voor ‘arbeiders’ ongewijzigd blijft. De elektromecanicien en/of technicus elektromechanica, de elektricien en/of technicus elektriciteit en de vrachtwagenmechanicien blijven de lijst aanvoeren. Johan De Coster: “Ik val misschien in herhaling, maar wij kunnen er niet hard genoeg op ‘hameren’ dat er nood is aan een grondige hervorming van ons gehele systeem van onderwijs en vorming. De onderwaardering van het technische en beroeponderwijs en de beruchte waterval in het secundair onderwijs zijn niet weg te werken door alleen maar te sleutelen aan deze opleidingen zelf. Ook hun imago en werkomgeving moeten aantrekkelijker worden gemaakt. En hier is, mijn inziens, ook een taak weggelegd voor de productie-industrie. Zij moeten zelf ook het belang van onderhoud naar buiten brengen en het ook zichtbaarder maken in het bedrijf zelf. Het management onderschat nog steeds de waarde van onderhoud. Men bekijkt het nog steeds teveel op korte termijn, en men spreekt ook nog altijd over een kostenpost, maar niet over wat goed onderhoud opbrengt”.

Waar knelt het schoentje?
Volgens diverse officiële organisaties hebben de rekruteringsmoeilijkheden op onze arbeidsmarkt, algemeen gesproken, drie hoofdoorzaken: een kwantitatief tekort, want er zijn niet voldoende werkzoekenden voor bepaalde beroepen, bijvoorbeeld door een tekort aan leerlingen in bepaalde richtingen of omdat er geen schoolse opleiding bestaat. Een tweede reden is een kwalitatief tekort. Er zijn dus wel voldoende arbeidskrachten, maar ze hebben niet de nodige bekwaamheid om het beroep uit te oefenen, of de werkgever stelt (hoge) bijkomende eisen. Ten derde zijn er – al dan niet terecht – ongunstige arbeidsomstandigheden zoals laag loon, zwaar of ongezond werk, ongunstige tijdsregeling, enz. Johan De Coster: “Het beroep van onderhoudstechnicus is misschien niet het gemakkelijkste. Hij moet redelijk veelzijdig zijn en verschillende technische capaciteiten onder de knie hebben, flexibel zijn, stressbestendig, want elke panne of herstelling moet zo snel mogelijk worden uitgevoerd, accuraat, enz. Zelfs jonge vakbekwame mensen moet nog enkele jaren ervaring opdoen. Echter wegens een gebrek aan in- en uitstroom in die studierichting mogen we er dan ook geen probleem mee hebben om ervaren oudere werknemers aan te werven. Het kan het dienstenaanbod alleen maar ten goede komen. Als je 30% beter presteert met eigen mensen, maar sommige buitenlandse aanbieders gaan tot 50% onder de prijs, wordt het soms erg moeilijk. Daarom is vakkennis de enige troef die we hebben. Werken uitvoeren dus waarin wij beter zijn en dat anderen niet aankunnen”.

Klassiekers
Sommige knelpuntberoepen zijn echte ‘klassiekers’ geworden. De meest hardnekkige, kwantitatieve blijven echter de technische beroepen, o.a. door de te kleine instroom vanuit het onderwijs. Het aandeel van vrouwen dat werk vindt in knelpuntberoepen is met 27% beduidend lager dan bij de overige beroepen (51%). De knelpunten blijven dus vooral gesitueerd in de traditionele ‘mannenberoepen’. Voor sommige beroepen bestaat er zelfs geen arbeidsreserve. En Johan De Coster besluit: “Een knelpuntanalyse is cruciaal voor de detectie van opleidingsbehoeften en spoort zo aan tot de organisatie van nieuwe of de bijsturing van bestaande opleidingen. Hierdoor kan voorkomen worden dat sommige beroepen tot knelpunten vervallen of kan hun knelpuntkarakter in belangrijke mate beperkt worden. Het volgen van opleidingen die leiden naar een knelpuntloopbaan moet dan ook gestimuleerd worden. Er is ook duidelijk nood aan acties die jongeren stimuleren een studierichting te volgen die leidt naar een knelpuntberoep. Een herwaardering van het technische secundair onderwijs dringt zich dus op. Ik ben er dan ook van overtuigd dat voor BEMAS hier een taak is weggelegd”.

Perspectief
De afgelopen jaren is het aantal studies over de krapte op de arbeidsmarkt aanzienlijk toegenomen. De bestaande studies zijn echter veelal gebaseerd op partiële gegevens en een degelijke uniforme methodologie ontbreekt. Een studie van de Koning Boudewijnstichting – uitgevoerd in 2002 – legt nochtans een duidelijke vinger op de wonde. In hun rapport merken ze op dat, en ik citeer: “Door het toenemende belang van techniek en technologie in onze economie en maatschappij wordt het probleem van de onderwaardering van technisch/technologische opleidingen en beroepen bijzonder urgent. Zonder ingrijpende veranderingen op korte termijn in die onderwaardering van de voor onze toekomst cruciale techniek en technologie, dreigt voor België in de wedloop naar de kennissamenleving een moeilijk in te halen achterstand op de andere Europese landen”.
De knelpunten en urgenties die de commissie in haar rapport formuleert, maken volgens haar duidelijk dat de lage waardering voor technisch/technologische opleidingen en functies een urgent, complex en uitgebreid probleem vormt, dat niet met enkele losse ingrepen ten gronde kan worden opgelost. Het rapport van de commissie nodigt de politiek-bestuurlijke wereld, de onderwijswereld en de sociaal-economische wereld dan ook uit om tot een dialoog te komen en een consensus te vinden over haar integrale toekomstvisie, ‘anders leren’, ‘anders kiezen’, ‘anders werken’ en ‘anders sturen’. <<
Hubert Lahaut

Technicien de maintenance
Un métier confronté à de gros problèmes!


Bon nombre d’entreprises ou de catégories de métiers éprouvent de grosses difficultés à trouver du personnel technique expérimenté. La cause de ces postes restant problématiquement vacants peut être liée tant à la demande qu’à l’offre. Côté demande, l’image de l’emploi, la rémunération, la procédure de sélection et les chances de promotion peuvent jouer un rôle. Côté offre, le manque de qualifications demandées ou la mobilité frileuse peut être l’une des raisons.


Certains métiers sont ‘mis au placard’ parce qu’ils ne sont pas assez ‘sexy’ aux yeux des jeunes, d’autres parce que certains parents ne veulent pas que leurs enfants aient à l’école technique, perçue à tort comme ‘inférieure’. Cette dernière décision constitue souvent une pénible erreur et en dit plus sur les ambitions des parents que sur les intérêts des jeunes. Le niveau de notre enseignement technique a tellement évolué que le choix d’une formation technique peut constituer un tremplin vers un emploi attrayant. Une formation secondaire dans l’enseignement général est de plus en plus une solution de facilité pour les parents et les jeunes. Malheureusement, force est de constater que ces mêmes jeunes sont perdus quelques années plus tard dans l’enseignement général, ne trouvent pas d’emploi et doivent se recycler dans un autre institut. Ils perdent ainsi de nombreuses années et/ou ressentent un sentiment de frustration» remarque Johan De Coster, président de la BEMAS (Belgian Maintenance Association).

Situation
La Belgique compte plus de 600.000 personnes sans emploi. Dans le secteur de la maintenance industrielle, le manque de personnel technique compétent est estimé entre 6 et 10.000. Pourtant, il faut octroyer des primes d’encouragement aux personnes afin qu’elles suivent certaines formations et exercent certains métiers. Aussi surprenant que cela puisse paraître, les métiers à problèmes ne rassemblent pas uniquement les ‘sales boulots’ et/ou les emplois mal rémunérés. Au contraire, ces métiers à problèmes garantissent en général un emploi fixe et une excellente rémunération. «Voilà une des caractéristiques les plus surprenantes de notre capricieux marché du travail et je crains que cette situation ne devienne encore plus complexe dans les années à venir. Pensez par exemple au récent appel de certains employeurs pour attirer vers notre pays davantage de main-d’œuvre étrangère qualifiée. Cet appel peut apporter une aide (provisoire) mais un pays ne peut en aucune façon avoir comme stratégie de chercher de la main-d’œuvre (meilleur) bon marché à l’étranger, certainement pas à long terme» poursuit Johan De Coster. Il ressort d’une étude réalisée en 2004 par Cevora et Federgon sur ces points noirs que ceux-ci sont principalement la conséquence d’une disparité qualitative entre la demande et l’offre sur le marché de l’emploi. De nombreux chercheurs d’emploi qui se proposent ne répondent pas ou insuffisamment au profil demandé en raison d’un niveau de formation insuffisant, d’un manque d’expérience, de connaissances linguistiques ou de compétences spécifiques. Le rapport souligne aussi que le top trois des métiers à problèmes pour ‘ouvriers’ reste inchangé. L’électromécanicien et/ou le technicien en électromécanique, l’électricien et/ou le technicien en électricité et le mécanicien de camion figurent invariablement en tête de liste. «Au risque de me répéter, nous ne pouvons insister suffisamment sur la nécessité d’une profonde réforme de tout notre système d’enseignement et de formation» remarque Johan De Coster. «La sous-estimation de l’enseignement technique et professionnel et la cascade tristement célèbre de l’enseignement secondaire ne disparaîtront pas en modifiant simplement ces formations. Leur image et l’environnement de travail doivent être rendus attrayants. Et voilà, à mon avis, une tâche pour l’industrie de production. Celle-ci doit aussi souligner l’importance de la maintenance à l’extérieur et la rendre plus visible dans l’entreprise même. Le management sous-estime encore la valeur de la maintenance. Il traite la maintenance trop à court terme, il en parle comme d’un centre de frais mais ne voit pas ce qu’elle rapporte.»

Où se situe le problème?
Selon diverses organisations officielles, les difficultés de recrutement sur notre marché du travail, ont, de manière générale, trois causes principales. La première cause est un manque quantitatif parce qu’il n’y a pas suffisamment de chercheurs d’emploi pour certains métiers, par exemple un manque d’élèves dans certaines orientations ou l’inexistence de certaines formations scolaires. Ensuite, il y a le manque qualitatif. Il y a suffisamment d’ouvriers mais soit, ils n’ont pas les compétences nécessaires pour exercer le métier, soit l’employeur pose des exigences supplémentaires (élevées). Finalement, il y a – à tort ou à raison – les conditions de marché défavorables comme un faible salaire, un travail lourd ou néfaste pour la santé, des horaires inconfortables… «Le métier de technicien de maintenance n’est peut-être pas le métier le plus simple» remarque Johan De Coster. «Le technicien doit être assez polyvalent et maîtriser diverses compétences techniques, il doit être flexible, résister au stress car chaque réparation de panne doit être effectuée au plus vite, il doit être précis… Même les jeunes personnes compétentes doivent encore acquérir quelques années d’expérience. Cependant, vu le manque d’afflux dans cette orientation et le nombre de départs, nous ne pouvons pas faire la fine bouche et refuser d’engager des employés expérimentés plus âgés. Cela ne peut être que bénéfique pour l’offre de services. Si vous prestez 30% mieux avec votre propre personnel mais que certains fournisseurs étrangers descendent jusqu’à 50% en dessous du prix, cela devient parfois très difficile. La compétence est donc le seul atout dont nous disposons. Il faut réaliser des travaux pour lesquels nous sommes meilleurs, des travaux que d’autres ne peuvent réaliser.»

Les classiques
Certains métiers à problèmes sont devenus de vrais ‘classiques’. Les professions techniques restent toutefois les plus tenaces et les plus quantitatives, en raison notamment d’un afflux trop faible en provenance de l’enseignement. Seuls 27% de femmes trouvent un emploi dans les métiers à problème contre 51% dans les autres métiers. Les points noirs se situent surtout dans les traditionnels ‘métiers d’homme’. Pour certains métiers, il n’y a même pas de réserve. Et Johan De Coster de conclure: «Il est crucial d’analyser les points noirs afin de détecter les besoins de formation. Il est également important d’inciter la mise sur pied de nouvelles formations ou l’ajustement des formations existantes. Cela permettrait d’éviter que certains métiers deviennent critiques ou de limiter l’ampleur de cette problématique. Nous avons clairement besoin d’actions incitant les jeunes à suivre une orientation menant vers un métier à problèmes. Une revalorisation de l’enseignement secondaire technique s’impose. Je suis dès lors convaincu qu’il s’agit là d’une tâche pour la BEMAS.»

Perspectives
Ces dernières années, le nombre d’études sur la pénurie de main-d’œuvre a considérablement augmenté. Cependant, les études se basent surtout sur des données partielles et manquent d’une méthodologie uniforme correcte. Une étude de la Fondation Roi Baudouin –menée en 2002- met pourtant clairement le doigt sur la plaie. Le rapport note «En raison de l’importance accrue de la technique et de la technologie dans notre économie et société, le problème de la sous-évaluation des formations techniques/technologiques devient particulièrement critique. Sans changements radicaux à court terme envers cette sous-évaluation de la technique et de la technologie, cruciales pour notre avenir, la Belgique risque d’accuser un retard difficile à combler dans la course vers une société du savoir par rapport aux autres pays européens.» Les points noirs et les urgences que la commission a formulés dans son rapport expliquent clairement que la faible appréciation des formations et fonctions techniques/technologiques constitue un problème urgent, complexe et étendu qui ne peut être résolu en profondeur par quelques interventions éparses. Le rapport de la commission invite le monde politico-administratif et le monde socio-économique à ouvrir un dialogue et à trouver un consensus sur sa vision future intégrale, ‘apprendre autrement’, ‘choisir autrement’, ‘travailler autrement’ et ‘diriger autrement’. <<
Hubert Lahaut

 

©