Relighting
Een ver van mijn bed show

version française

Slechte verlichting leidt tot vermoeidheid, hoofdpijn, stress en verhoogt het risico op arbeidsongevallen. goede verlichting leidt tot betere arbeidsprestaties en verlaagt de energierekening. iedereen is dus gebaat bij goede verlichting. Waarom zijn er dan nog (te) veel bedrijven met een verlichtingsinstallatie van 30 jaar en ouder? Twee vakspecialisten aan het woord…

Industriële verlichting omvat een groot aantal verschillende werkomgevingen en taken. Van kleine werkplaatsen tot enorme fabriekshallen en van fijn precisiewerk tot zware industriële taken. De verlichtingskwaliteit moet altijd hoog genoeg zijn om voldoende visuele prestaties te kunnen garanderen voor de betreffende taken. De uiteindelijke visuele prestaties van een persoon zijn afhankelijk van de kwaliteit van de verlichting en van zijn of haar visuele mogelijkheden.
Volgens de lichtspecialisten Kris Delahaye en Luc Jacobs van Philips Lighting is renovatie van het verlichtingssysteem voor veel industrietakken nog steeds een ‘ver van mijn bed show’. “Te veel bedrijven zien nog steeds het nut niet in van een goede moderne verlichting. Met de huidige bestaande technieken spaart men niet alleen veel energie uit – tot zo’n 60 procent – maar het is ook bewezen dat een verbetering van de visuele prestaties op zijn beurt een verbetering van de taak- of arbeidsprestatie geeft, hetgeen zich vertaalt in een hogere opbrengst en een lager aantal fouten”, aldus Luc Jacobs.
De mate waarin verlichting van goede kwaliteit de arbeidsprestatie verbetert hangt ook af van de visuele component van de betreffende taak. Een taak met een belangrijke visuele component zal meer profiteren van goede kijkomstandigheden dan een taak met een minder belangrijke visuele component. Kris Delahaye: “Indien goed ontworpen, kan de totale werkomgeving een stimulerend effect hebben op de mensen die erin werken. Tegenwoordig wordt veel nadruk gelegd op de indeling en het interieurontwerp van de werkplek, maar vaak vergeet men dat ook verlichting een belangrijke rol speelt. Terwijl goede verlichting enerzijds de positieve elementen van de vormgeving kan benadrukken kan zij, indien ze niet is aangepast aan de omgeving, ook afbreuk doen aan deze elementen, bijvoorbeeld door een slechte kleurweergave of verblindingseffecten”.

Slecht licht is gevaarlijk
Kris Delahaye: “Komt daarbij dat werken onder een verlichting van een te laag niveau of slechte kwaliteit, de mensen last kunnen krijgen aan de ogen of van vermoeidheid, wat leidt tot mindere prestaties. In een aantal gevallen kan dit ook hoofdpijn veroorzaken. Dit komt in veel gevallen door een te laag verlichtingsniveau, verblinding door (verkeerd geplaatste) verlichtingsbronnen en ongelijkmatige verlichting op de werkplek en taak. Hoofdpijn kan soms ook veroorzaakt worden door lampen die flikkeren door de toepassing van oude of onaangepaste voorschakelapparaten die nog werken op de netfrequentie van 50 Hz. Elektronische VSA’s die werken op hoge frequenties van circa 28 kHz vertonen geen flikkergedrag, wat resulteert in een verminderd optreden van hoofdpijn en/of stress. In werkplaatsen kunnen oudere TL-lampen ook visueel onjuiste informatie geven in verband met bewegende onderdelen, het zogenaamde ‘stroboscopisch’ effect. Dit kan enerverend en zelfs gevaarlijk zijn voor het personeel, dat ten onrechte denkt dat snijmachines, messen en boren niet draaien. Hoogfrequente lampen kunnen aan dit probleem voor eens en altijd een einde maken”.

Comfort en prestatie
In de verlichtingskunde maken we een onderscheid tussen visueel comfort en visuele prestaties. Het visuele comfort is het best gediend met armaturen die de werkplek uitstekend verlichten terwijl ze zelf, door een lage luminantie, bescheiden op de achtergrond blijven. De visuele prestatie is het best gediend met een hoge ‘verlichtingssterkte’. Naarmate de verlichtingssterkte hoger is, kunnen we fijnere details en vage contrasten beter en met minder inspanning onderscheiden. Visuele prestatie en visueel comfort zijn in feite twee kanten van dezelfde medaille. Hoe hoger de verlichtingssterkte, des te meer aandacht moeten we besteden aan de kwaliteit van de afscherming.
Kris Delahaye: “Veruit de meeste lampen voor algemene verlichting zijn zeer heldere, vrijstralende lichtbronnen. Technische voorzieningen moeten ervoor zorgen dat de heldere lamp zo weinig mogelijk hinder veroorzaakt en dat zoveel mogelijk licht rechtstreeks naar het werkvlak gaat. De meeste verlichtingsarmaturen zijn daarvoor uitgerust met een lichtkap, een lichtrooster of een spiegel-(optiek)raster”. En Luc Jacobs vervolgt: “De afscherming levert een wezenlijke bijdrage aan het visuele comfort en de efficiency van de verlichting. Enerzijds zorgt de afscherming ervoor dat de helderheid (luminantie) binnen acceptabele grenzen blijft, anderzijds vergroot een professionele afscherming het nuttig effect (verlichtingsrendement) van de installatie. Het praktisch effect van enkele procenten meer licht op het werkvlak betekent in grote(re) ruimten minder armaturen of minder lampen per armatuur. Lichttechnisch is de beste afscherming die welke een lage luminantie koppelt aan een hoog verlichtingsrendement. Een hoog verlichtingsrendement is op termijn ook de voordeligste oplossing”.
In de industrie en andere werkomgevingen is een optimale verlichting van het grootste belang, aangezien het niet alleen een factor is voor de stemming, maar ook voor de prestaties en het voorkomen van ongevallen. Het ARAB schrijft voor kantoren een minimum verlichtingssterkte van 300 Lux voor, maar de meeste experten vinden deze norm voorbijgestreefd. Zij stellen dat het meest comfortabele licht wordt bereikt bij 750 Lux.
Tal van onderzoeken naar de effecten van licht op de waakzaamheid en het alertheidsniveau zijn uitgevoerd onder omstandigheden van (nacht)ploegenwerk omdat, bijvoorbeeld, het alertheidsniveau dan het laagst is en de te verwachten effecten derhalve het sterkst.

Kleur bekennen
Er bestaan duidelijke bewijzen dat veel soorten van industriële ongevallen voorkomen kunnen worden door het creëren van betere zichtomstandigheden. Natuurlijk is de mate waarin het aantal ongevallen beperkt kan worden voor een groot deel afhankelijk van het soort industrie en de heersende omgevingssituatie. Het is belangrijk op te merken dat niet alleen het verlichtingsniveau, maar ook alle andere aspecten van de verlichtingskwaliteit een rol spelen bij het voorkomen van ongevallen. Hier volstaat het te vermelden dat niet-gelijkmatige verlichting kan leiden tot adaptatieproblemen die een goede zichtbaarheid hinderen.
Het comfort van een goede verlichting wordt normaal beoordeeld aan de hand van twee criteria: één, het comfort dat rechtstreeks correspondeert met de kwaliteit van de kleurweergave (zeer goed, goed of matig) en twee, het comfort dat samenhangt met de ‘kleurindruk’ van het licht: warmwit, friswit, of koelwit.
Dat in bovenstaande rangorde ‘kleurweergave’ voorop staat heeft een goede reden. Onze ogen zijn gewend aan de excellente kleurweergave van natuurlijke lichtbronnen. We verwachten terecht dat kunstlicht dat comfort zo goed mogelijk benadert. In dit opzicht is er tussen mensen onderling een hoge mate van overeenstemming. Met de ‘kleurindruk’ van het licht (de lichtkleur) is dit anders. In situaties waar de ene een warme lichtkleur prefereert, heeft de ander liever een frisse lichtkleur.

Culturele ‘voorkeuren’
Voor vele toepassingsgebieden is de keuze van het juiste licht niet gebaseerd op standaarden die duidelijk gedefinieerd zijn, zoals de verlichtingssterkte of de kleurweergave-eigenschappen. In de meeste gevallen kan men kiezen uit een aantal mogelijkheden. Mensen in Noord-Europa geven de voorkeur aan warme lichtkleuren, terwijl Zuid-Europeanen meer houden van ‘kouder’ licht. Duizenden jaren ervaring hebben ons geconditioneerd om een hoge kleurtemperatuur (zonlicht overdag) te associëren met een hoge verlichtingssterkte en een lage kleurtemperatuur (zonlicht ’s avonds, vuur, kaarslicht) met een lage verlichtingssterkte. Om die redenen ervaren we daglicht van minder dan 500 Lux als onaangenaam flets. Dit zijn slechts enkele aspecten waarmee men rekening moet houden bij de keuze van de lichtkleuren van fluorescentielampen. Er is niet zoiets als de enige ‘goede’ manier om de juiste lichtkleur te kiezen. Individuele aspecten, persoonlijke smaak en cultuur, spelen vaak een cruciale rol.

Relighting
Als een verlichtingsysteem aan een facelift toe is, dan is het gemakkelijk te berekenen hoeveel de kostprijs zal bedragen en wat men kan besparen. En onze gesprekpartners besluiten: “Elke installateur of lichtspecialist voert graag zo’n berekening uit. Zeg hoe groot het kantoor of bedrijfsgebouw is, hoeveel en welke types lampen en armaturen u gebruikt en wat het gemiddelde dagelijkse gebruik is. Zo kan nagegaan worden hoeveel energie men verbruikt of verspilt – in W per m² - en berekend worden hoeveel men kan besparen met een moderne installatie, zodat men de juiste beslissing kan nemen. Men zal snel ontdekken waarom een nieuwe installatie goedkoper is dan bij het oude – meestal niet aan de eisen voldoen – systeem te blijven. De investering kan in sommige gevallen op 18 maanden en soms korter terugbetaald worden en de energierekening kan meer dan helft lager liggen. <<
Hubert Lahaut, Maintenance Magazine

KADER:

Hans Roofthooft, Varda Relamping:
‘Ook lampen die niet branden kosten geld’

Hoezo, een lamp die niet brandt kost geld? Zeker, een falende lamp kost minimum evenveel, en misschien wel duurder, dan een brandende lamp. Bovendien levert zo’n uitdovende lamp meestal een lange doodstrijd en brengt het vervelende geflikker de veiligheid in het gedrang. Voor hetzelfde geld verzekert u zich van een werkomgeving waar geen vuiltje aan het ‘licht’ is.

Iedereen onder ons is vertrouwd met relamping, omdat kapotte of oudere lampen nu eenmaal moeten worden vervangen. In de ideale situatie gebeurt de vervanging van lampen systematisch en in groep, waarbij rekening wordt gehouden met de vooropgestelde levensduur. In de praktijk gebeurt dit echter vrij onregelmatig, terwijl groepsvervanging van lampen bedrijfseconomisch veruit het voordeligste alternatief is”. Aan het woord is Hans Roofthooft, een specialist op het gebied van reglighting en in het dagelijkse leven project manager van Varda Relamping.

Groepsvervanging
Het is een hardnekkig vooroordeel dat lichtcomfort een kostbare aangelegenheid zou zijn. Zo wordt bij groepsvervanging het aantal lampen dat op een bepaald moment uitvalt of waarvan de lichtopbrengst niet meer voldoet, tot een minimum herleid. Ook andere factoren van financiële en praktische aard kunnen bepaalde voordelen opleveren. Een eenvoudige doorlichting van het bestaande lampenpark kan al een duidelijke indicatie geven. Groepsvervanging heeft in elk geval, van nature uit, heel wat troeven.
Hans Roofthooft: “De lichtopbrengst van lampen daalt met de stijging van de levensduur. Door lampen tijdig te vervangen optimaliseren we de lichtopbrengst. In veel gevallen wordt ook nog verlicht met de oudere conventionele TL-lampen die vrij snel minder licht geven. Na 10.000 branduren is het lichtrendement al met zo’n 30 procent afgenomen. Bij de nieuwste generatie is de lichtterugval slechts 5 procent, terwijl men al gemakkelijk tot 10 procent en meer op het verbruikt vermogen bespaart. Indien men dan ook nog het conventionele voorschakelapparaat vervangt door een VSA, verhoogt men de levensduur van de lampen tot 40 procent terwijl men het energieverbruik inkrimpt met zo’n 30 procent. Bovendien geeft de nieuwe generatie TL-lampen ook aanzienlijk meer licht. Zo heeft men niet alleen langer licht, men heeft ook meer en beter licht, want de nieuwe generatie lampen geven de kleuren heel natuurgetrouw weer en benaderen zo sterk het natuurlijke licht”.
Groepsvervangingen kunnen gepland worden. De kosten die hiermee gepaard gaan zijn dus voor elk bedrijf/kantooromgeving op voorhand gekend en kunnen dus worden ingecalculeerd. Daarbij komt dat men steeds beschikt over een uniforme lichtintensiteit. Hierdoor treden er geen contrastverschillen op en worden bijvoorbeeld hoofdpijn en vermoeidheidsverschijnselen vermeden. M.a.w. voor een vast bedrag is men verzekerd van een optimale verlichting.
Hans Roofthooft: “Bij stukvervangingen wordt de lamp pas vervangen, meestal door een personeelslid, wanneer ze niet meer werkt. Omdat dit niet voorspelbaar is, weet men bij stukvervanging niet op voorhand welk budget er besteed wordt aan verlichting. Het is goedkoper aan uurlonen om in één keer verschillende lampen (gepland) te vervangen dan telkens één lamp te vervangen als ze defect is”.

Milieuvriendelijk
Moderne TL-lampen hebben een hoger rendement, langere levensduur, lager kwikgehalte en betere scheidingsmogelijkheden van de onderdelen. Daardoor kunnen de meeste delen van de lamp hergebruikt worden. Daarnaast zijn ze – door de ontwikkeling van nieuwe productietechnieken (het kwikgehalte daalde naar 3 mg/lamp) – ook een stuk minder milieubelastend.
Hans Roofthooft: “De oude defecte/vervangen lampen worden afgevoerd naar een erkend verwerkingscentrum: Indaver Relight. Hier worden de lampen op een milieuvriendelijke wijze verwerkt. Tot 98 procent van de rechte TL-lampen worden gerecycleerd tot grondstoffen voor de productie van nieuwe TL-lampen. Elke klant krijgt hiervan een certificaat. Dit biedt de klant de garantie dat hij gekozen heeft voor de beste oplossing”. <<

Relighting
en quoi cela me concerne-t-il ?


Un mauvais éclairage génère fatigue, maux de tête et stress et augmente le risque d’accidents de travail. Un bon éclairage induit de meilleures prestations et réduit la facture d’énergie. Il profite par conséquent à tous. Pourquoi tant de sociétés ont-elles alors une installation d’éclairage vieille de trente ans ou plus ? Nous laissons la parole à deux spécialistes…

L’éclairage industriel recouvre un grand nombre d’environnements de travail et de tâches différentes. Des petits ateliers aux grands halls de production, du travail de grande précision aux lourdes tâches industrielles. La qualité de l’éclairage doit toujours être d’un bon niveau afin de pouvoir garantir des prestations visuelles suffisantes pour les tâches demandées. Les prestations visuelles finales d’une personne dépendent de la qualité de l’éclairage et de ses possibilités visuelles. Selon les spécialistes en éclairage Kris Delahaye et Luc Jacobs de Philips Lighting, la rénovation d’un système d’éclairage reste pour de nombreuses branches industrielles un thème qui ne les concerne pas. "Trop d’entreprises ne perçoivent pas encore l’utilité d’un bon éclairage moderne. Les techniques actuelles permettent non seulement d’économiser beaucoup d’énergie –jusqu’à environ 60 pour-cent- mais il est également prouvé qu’une amélioration des prestations visuelles engendre une amélioration des tâches ou du travail, ce qui se traduit par un meilleur rendement et une réduction des erreurs" remarque Luc Jacobs. La mesure dans laquelle un éclairage de bonne qualité améliore les prestations de travail dépend aussi de la composante visuelle de cette tâche. Une tâche présentant une importante composante visuelle profitera plus de bonnes conditions de vision qu’une tâche présentant une composante visuelle moins importante. "S’il est bien conçu, l’environnement de travail global peut avoir un effet stimulant sur les personnes qui y travaillent" ajoute Kris Delahaye. "Aujourd’hui, l’accent est surtout mis sur l’aménagement et le concept d’intérieur du lieu de travail. On oublie trop souvent que l’éclairage joue également un rôle important. Alors qu’un bon éclairage peut souligner les éléments positifs de l’esthétique, il peut aussi, s’il n’est pas adapté à l’environnement, rompre avec ces éléments, par exemple par un mauvais rendu des couleurs ou par des effets d’aveuglement."

Le danger d’une mauvaise lumière
"Ajoutons à cela qu’un travail effectué sous un éclairage trop faible ou de mauvaise qualité peut générer des problèmes aux yeux ou de la fatigue et réduire ainsi les prestations fournies. Dans certains cas, ce mauvais éclairage peut également provoquer des maux de tête" précise Kris Delahaye. "Cela provient souvent d’un niveau d’éclairage trop faible, d’un aveuglement par des sources d’éclairage (mal placées) et d’un éclairage irrégulier sur le lieu de travail et sur la tâche. Le mal de tête peut parfois aussi être provoqué par des lampes qui clignotent en raison de l’utilisation d’anciens ballasts ou de ballasts mal adaptés qui travaillent encore à une fréquence de réseau de 50 Hz. Les ballasts électroniques qui travaillent à des fréquences élevées d’environ 28 kHz ne clignotent pas et engendrent moins de problèmes de maux de tête et/ou de stress. Dans les ateliers, d’anciennes lampes TL peuvent fournir des informations visuellement incorrectes au niveau des pièces mobiles, suite à l’effet ‘stroboscopique’ bien connu. Cela peut être énervant et même dangereux pour le personnel qui pense à tort que les machines de coupe, les couteaux et les perceuses ne fonctionnent pas. Les lampes à haute fréquence remédient à ce problème une fois pour toutes. »

Confort et prestations
La science de l’éclairage distingue le confort visuel des prestations visuelles. Le confort visuel sera accentué par des armatures éclairant parfaitement le lieu de travail tout en restant, grâce à une faible luminance, modestement en arrière-plan. La prestation visuelle préfèrera surtout une ‘intensité lumineuse’ élevée. Plus l’intensité lumineuse est élevée, mieux nous pouvons distinguer les petits détails et les légers contrastes avec moins d’efforts. La prestation visuelle et le confort visuel sont en fait les deux faces de la médaille. Plus l’intensité lumineuse est élevée, plus nous devrons faire attention à la qualité de la protection. "La majorité des lampes destinées à un éclairage général sont des sources lumineuses très claires et omnidirectionnelles. Des équipements techniques doivent veiller à ce que la lampe lumineuse engendre un minimum de gêne et qu’un maximum de lumière aboutisse directement sur la surface de travail. La plupart des armatures d’éclairage sont équipées à cet effet d’un coiffe lumineuse, d’une grille en nid d'abeille ou d’une trame de miroir-optique" explique Koen Delahaye. Et Luc Jabobs de poursuivre: "La protection fournit une contribution essentielle au confort visuel et à l’efficacité de l’éclairage. La protection veille d’une part à ce que la clarté (luminance) reste dans des limites acceptables. D’autre part, une protection professionnelle augmente l’effet utile (rendement de l’éclairage) de l’installation. En pratique, quelques pour-cent de lumière en plus sur la surface de travail représentent pour de (plus) grands espaces une réduction du nombre d’armatures ou du nombre de lampes par armature. Au niveau technique, la meilleure protection est celle qui relie une faible luminance à un rendement d’éclairage élevé. Un rendement d’éclairage élevé constitue à terme aussi la solution la plus avantageuse." Dans l’industrie et dans d’autres environnements de travail, l’éclairage optimal est de la plus grande importance, puisqu’il constitue non seulement un facteur d’ambiance mais influe aussi sur les performances tout en réduisant les accidents. Le RGPT prescrit pour les bureaux une intensité lumineuse de minimum 300 Lux, mais la plupart des experts trouvent cette norme dépassée. Selon eux, la lumière la plus confortable est atteinte avec 750 Lux. De nombreuses études sur l’influence de la lumière sur la vigilance et le niveau d’attention ont été effectuées dans des conditions de travail d’équipe (de nuit) parce que le niveau d’attention est alors le plus faible et que les effets escomptés y sont dès lors les plus forts.

AFFICHER SA COULEUR
Il existe des preuves évidentes qui montrent que de meilleures conditions de vision permettent d’éviter bon nombre d’accidents industriels. L’ampleur dans laquelle ces accidents peuvent être réduits dépend naturellement en grande partie du type d’industrie et des conditions qui y règnent. Il est important de remarquer que le niveau d’éclairage n’est pas le seul élément interférant dans la réduction des accidents. D’autres aspects qualitatifs de l’éclairage interviennent également. Il suffit de mentionner qu’un éclairage non uniforme peut induire des problèmes d’adaptation qui nuisent à une bonne visibilité. Le confort d’un bon éclairage est normalement évalué à l’aide de deux critères: tout d’abord, le confort qui correspond directement à la qualité du rendu des couleurs (très bon, bon ou moyen) et ensuite, le confort lié à ‘l’impression des couleurs’ de la lumière: un blanc chaud, frais ou froid. La prédominance du ‘rendu des couleurs’ a une bonne raison d’être. Nos yeux sont habitués à un excellent rendu des couleurs provenant des sources de lumière naturelles. Nous souhaitons à juste titre que la lumière artificielle se rapproche le plus possible de ce confort. Beaucoup de gens se conforment à cet avis. Il en va différemment pour l’impression des couleurs de la lumière (la couleur de la lumière). Là où certains préfèrent une lumière chaude, d’autres apprécieront plutôt une lumière fraîche.

‘PREFERENCES’ CULTURELLES
Pour bon nombre de champs d’application, le choix d’une lumière adéquate ne repose pas sur des standards clairement définis comme l’intensité d’éclairage ou les caractéristiques de rendu des couleurs. En général, plusieurs possibilités se présentent. Les Européens du Nord préfèrent des lumières chaudes alors que les Européens du Sud aiment plutôt une lumière ‘plus froide’. Des milliers d’années d’expérience nous ont conditionnés à associer une température de couleur élevée (la lumière solaire de jour) à une haute intensité d’éclairage et une basse température de couleur (la lumière solaire le soir, le feu, la lumière d’une bougie) à une faible intensité d’éclairage. Pour ces raisons, nous ressentons une lumière de jour inférieure à 500 Lux comme une couleur pâlotte et désagréable. Voilà quelques aspects dont il faut tenir compte dans le choix des couleurs de lumière des lampes à fluorescence. Il n’y a pas qu’une seule ‘bonne’ manière de choisir la bonne couleur de lumière. Des aspects individuels, le choix personnel et la culture jouent souvent un rôle crucial.

RELIGHTING
Lorsqu’un système d’éclairage doit être revu, il est facile de calculer le coût et l’économie engendrés. Et nos interlocuteurs de conclure: "Chaque installateur ou spécialiste en éclairage aime faire un tel calcul. Indiquez la taille de votre bureau ou bâtiment, la quantité et le type de lampes et d’armatures que vous utilisez et votre consommation journalière moyenne. Ces données permettent de voir combien d’énergie vous consommez ou dépensez – en W par m² - et de calculer combien vous pouvez économiser avec une installation moderne. Cette information vous aidera à prendre la bonne décision. Vous découvrirez rapidement pourquoi réaliser une nouvelle installation coûte moins cher que de garder l’ancienne, qui ne répond généralement pas aux exigences. L’investissement peut parfois être amorti en 18 mois, voire moins et la facture d’énergie peut diminuer de plus de la moitié." <<
Hubert Lahaut, Maintenance Magazine

CADRE:

Hans Roofthooft, Varda Relamping:
‘Les lampes qui ne sont pas allumées coûtent également’

Comment ça, une lampe qui ne fonctionne pas coûte? En effet, une lampe défaillante coûte au minimum autant, voire même plus qu’une lampe allumée. En plus, la lente agonie d’une lampe et son désagréable clignotement compromettent la sécurité. Pour une somme identique, vous garantissez un environnement de travail plus sûr.

Nous sommes tous familiarisés avec le relamping puisque nous devons effectivement remplacer des lampes cassées ou anciennes. Idéalement, le remplacement des lampes se fait systématiquement ou en groupe, en tenant compte de la durée de vie préconisée. Dans la pratique, cela se fait toutefois de façon assez irrégulière, alors que le remplacement groupé des lampes constitue pourtant, d’un point de vue économique, l’alternative la plus avantageuse." Tels sont les propos de Hans Roofthooft, un spécialiste en relighting et dans la vie quotidienne ‘project manager’ de Varda Relamping.

REMPLACEMENT GROUPÉ
Le préjugé selon lequel le confort lumineux est nécessairement coûteux est fortement ancré dans l’esprit des gens. Un remplacement groupé permet en effet de réduire au minimum le nombre de lampes ne s’allumant soudainement plus ou dont le rendement lumineux n’est plus suffisant. D’autres facteurs de nature financière et pratique peuvent fournir certains avantages. Un simple examen du parc de lampes installé peut déjà donner une indication claire. Le remplacement groupé présente de toute façon, de par sa nature, de nombreux atouts. "Le rendement lumineux diminue tout au long de la durée de vie d’une lampe" explique Hans Roofthooft. "En remplaçant les lampes à temps, nous optimisons le rendement lumineux. On éclaire souvent encore avec de traditionnelles lampes TL plus anciennes. Après 10.000 heures de fonctionnement, le rendement lumineux a déjà diminué de 30 pourcent. La régression lumineuse de la dernière génération n’est plus que de 5 pourcent et elle permet d’économiser facilement jusqu’à 10 pourcent et plus sur la puissance consommée. Si l’on remplace de surcroît le ballast conventionnel par un ballast électronique, on augmente jusqu’à 40 pourcent la durée de vie des lampes alors que la consommation d’énergie diminue d’environ 30 pourcent. En outre, la nouvelle génération de lampes TL donne aussi considérablement plus de lumière. Donc, nous bénéficions non seulement d’une durée de vie plus longue des lampes mais surtout d’une lumière de meilleure qualité durant une plus longue période car la nouvelle génération de lampes rend fidèlement les couleurs et se rapproche fortement de la lumière naturelle." Les remplacements groupés peuvent être planifiés. Les coûts inhérents aux remplacements sont dès lors connus pour chaque société/environnement de travail et peuvent être intégrés dans les budgets. Ces remplacements permettent par ailleurs de toujours disposer d’une intensité lumineuse uniforme. On évite ainsi les différences de contraste, de même que les maux de tête et les phénomènes de fatigue. En d’autres termes, un montant fixe permet d’assurer un éclairage optimal. "Dans une politique de remplacements ponctuels, la lampe est généralement remplacée par un membre du personnel au moment où elle ne fonctionne plus. Puisque ce moment est imprévisible, on ne peut prévoir le budget consacré à l’éclairage. Cela coûte moins cher en heures de travail de remplacer différentes lampes en une seule fois (de façon planifiée) que de systématiquement remplacer les lampes défectueuses" observe Hans Roofthooft.

ECOLOGIQUE
Les lampes TL modernes présentent un rendement supérieur, une plus grande longévité, un taux de mercure inférieur et de meilleures possibilités de tri des différents composants. De ce fait, la plupart des lampes peuvent être réutilisées. En outre – grâce au développement de nouvelles techniques de production (le taux de mercure est descendu à 3 mg/lampe) – elles sont aussi plus écologiques. "Les anciennes lampes défectueuses/remplacées sont évacuées vers un centre de traitement reconnu, Indaver Relight, où elles sont traitées de façon écologique" explique Hans Roofthooft. "Jusqu’à 98 pourcent des lampes TL droites sont recyclées en matières premières réintroduites dans la production de nouvelles lampes TL. Chaque client reçoit un certificat qui lui garantit qu’il a choisi la meilleure solution." <<

 

©